Handel in Spreuken en Prediker

1 02 2011

Introductie

Het primaire onderzoek van dit onderwerp wordt gebouwd op de twee boeken: de boeken Spreuken en Prediker. Daarin zullen de thematische richtlijnen van de economie verkend worden. Dat leidt ons dus naar de eenvoudige veronderstelling: “de bijbel, in dit geval  de wijsheidboeken, is bezig met de ethische richtlijn van de economie”.[1] Om dat duidelijk te maken, is het de bedoeling  om de nadruk te leggen op de twee benaderingswijzen zoals geconstateerd wordt door Jongeneel. Namelijk, de ‘explicatio’ (wat de Bijbel zegt daarover) en de ‘implicatio’ (de toepassing).[2] Op het basis van de bovenstande veronderstelling, wordt er vermoed dat het OT de ethische en economische richtlijnen aangeduid heeft. Die aanduidingen zijn geworteld in wat het OT over God en het economische leven van Israël zegt. Daarmee wordt  bedoeld dat God de bepalingen aan Israël geeft, zodat zij daarnaar moeten leven (zie bijvoorbeeld Lev. 25). God is dus de bron van het ethische en economische leven van Israël.[3] Gods daad en reputatie/karakter laten Israël dat zien. Bijvoorbeeld in twee woorden die al bekend zijn en die  verband houden met ethische en economische kwesties,  justification en righteousness. Want daarop baseerden de profeten heel vaak hun waarschuwing, toen ze in Israël profeteerden.

De ethisch- en economische richtlijnen

De economische kwestie in het OT wordt vaak gerelateerd aan het beheer van wat  de HEER Israël heeft toevertrouwd. Allereerst denken wij dan aan het land. Dat is opvallend en veelbetekend in het OT. Want op basis van dat erfdeel kunnen we zien hoe Israël dat land moest organiseren, zodat het aan hun de behoefte tegemoet komt  Dus dat hoort niet alleen bij het ‘gebied’ maar ook bij de ‘bron’.  Alvorens signaleerde God de relatie tussen het land en het werk in het paradijs. Het is bekend dat Hij het ‘land’ al toevertrouwde en om dat ook uit te voeren (Gen. 2:15).[4] Daarna beloofde Hij dat ook aan Abraham (Gen. 12).[5] Ook in de tijd van Jozua: door hem vervulde en verdeelde[6] God het land. Hij heeft de patriarchen en het uitverkoren volk beloofd  (Joz. 15-16). Israël mocht dat in bezit nemen en gebruiken. Maar er moest goed opgelet worden dat ze dat niet voor zichzelf mochten claimen als eigendom want de echte eigenaar van het land in dit geval  de HEER (Lev. 25:23).[7] God die het aan Israël  gegeven heeft, is Degene  die er voor verantwoordelijk bleef. Een mooi voorbeeld dat opvalt is in dit geval  de kwestie van het land in het boek Hosea. Het Noordelijke rijk  heeft meer vertrouwd op Baäl dan op de HEER zelf. Het land, met haar bloei, heeft  volgens heeft te maken met Baäl. Zo  keken ze ook naar de economie. Hoe beter  het land bloeide, hoe beter economie werd.  Met deze agrarische kwestie, valt op hoe de economie van Israël is gebouwd. En dat zien we heel vaak, vooral in het boek Spreuken. Het maakt ons duidelijk hoe de ethiek en de economie met elkaar in verband mogen brengen.  Onze eerste middelpunt is Spreuken 6:6-11.[8] de voornamelijke boodschap hiervan is het werk dat door God zelf in het Paradijs aan de mens toevertrouwd werd. Evenals God die zo actief was in Zijn werk, moest de mens ook haar Schepper weerspiegelen. Maar wat hiervan  terecht is gekomen is een groot contrast: een luiaard versus de mieren.

De uitvoering van de economische bron

Of de luiheid bij de etisch- economische kwestie hoort, is opvallend. Uiteraard is het moeilijk te zeggen, of dat zou kunnen. Maar de exegese van deze passage zou een nauwe verwantschap laten zien. In het oude begrip betekent `äcël (luiaard, NBG)[9] “slow moving”.[10] Echter, de luiheid houdt  niet alleen verband met “beweging”, maar die weerspiegelt het belangrijke  begrip ‘werk’. In het beeld van de mieren zien we deze beide dingen. Namelijk: het ‘concept’ en de ‘beweging’.  Met dit begrip kunnen we verder kijken naar het allerbelangrijkste beeld van de mens die met de mieren vergeleken wordt. De luiheid heeft  dus nooit het karakter van God mogen weerspiegelen. Want God, zo presenteert Gen. 1-2, is een actief en dynamische God. Door Zijn hand werd de mens geschapen niet alleen “in” maar “om Zijn beeld en gelijkenis uit te stralen”. het beeld en de gelijkenis zijn hier veelbetekenend. En een daarvan is “ijverig” in het werk. Het gebrek aan het begrip[11] in het boek Spreuken is verwant aan de persoonlijke actualiteit van het werk. Dat blijkt uit drie Hebreeuwse frases in Spreuken 6:6, namelijk: לֵֽךְ־אֶל־נְמָלָ֥ה  “go[12] to the ant”, רְאֵ֖ה דְרָכֶ֣יהָ “consider its ways” en וַחֲכָֽם “be wise”.[13]

Bovenstaande frases hadden ons als schepsels, die Gods karakter hebben geërfd, de toespeling laten zien.[14] Daardoor kunnen we zeggen dat de mieren[15], in de context van het boek Spreuken, een ijverige en wijze leraar zijn of beter gezegd: de leraar van het ethisch en economische werk. Dit ‘gezegde’ is duidelijk. Het fungeert als het onderwijs voor een luiaard. Het is absoluut geen pleonastische omschrijving maar wel een feit.[16] Ik leg de nadruk op het land als de bron van de economie.[17] het boek Spreuken laat het contraster zien tussen hoe dat land in de hand van de luiaard is en van de ijver.[18] Voor een luiaard produceert het land niks. Hij laat de economische behoefte stilhouden (vgl. 12:11; 28:19). Vandaar dat Salomo[19] dit in verband bracht  met de luie handen van  de armoede.[20] De luiheid is dus een ondergang van de economie (vgl. 12:24; 19:15; Pred. 10:18). Met andere woorden, de luiheid weerspiegelt niet de ethiek van het werk.

Lening en rente

In het OT zijn de lening en de rente opvallend en veelbetekend.[21] Beide horen bij elkaar. En beide worden verbonden met armoede. Als je de gegevens in de Pentateuch (Ex. 22:25, HB. 22:24; Lev. 25:36-37; Deut. 15:6,8; 23:20) zorgvuldig bekijkt, dan zie je hoe sterk die zijn in het sociale leven van Israël. De profeten waren ook bezig met deze kwestie (Ez. 18:17 en 22:12). Dit grafische probleem steeg op. Zo zien we dat ook in de wijsheidsliteratuur, met name Spreuken 6:1-5 en 28:8.  Ik heb al gezegd dat bij armoede deze kwestie domineerde. In het noodgeval komen ze tot de rijke om iets te kunnen lenen. Bijvoorbeeld geld of eten. In dergelijke situatie mag de rijke niet om de rente of de winst delen. Dat verbod staat vast. Want achter die lening is immers “nood” die  natuurlijk menselijk is. Daardoor mag  men dus van de armoede van de volksgenoot geen misbruik maken door de rente van wat men hem gaf of verleende.[22] Spreuken 6:1 en 28:8  spreekt daar indirect daarover.  Er zou vermoed worden dat we in een oogwenk kunnen zeggen dat de lening en de rente daarin bedoeld worden. Maar wat voor mij opvallend is, is dat er drie dingen zijn in Spreuken 6:1-2 die we met  Deut. 15:6,8 kunnen vergelijken. Het eerste, is het object van de lening: de armoede. Ten tweede is het de goedgunstigheid. En het laatste is het grote risico van de lening. De lener (vgl. Deut. 15) hoort bij de bewoner of bij de vreemdeling.  Spreuken 6:1 zou bekeken kunnen woorden in de tendens van Leviticus 25:35-37. In beide passages is er een aanduiding zoals “hulp bieden”; hoewel dit in verschillende woorden beschreven is. Namelijk וְהֶֽחֱזַ֣קְתָּ  (Lev. 25:35) en עָרַ֣בְתָּ  (Spr. 6:1). Vers 3 geeft alleen de aanduiding dat de gever uiteindelijk naar de lener ging. Hij ging daarnaartoe om de verantwoordelijkheid van de lener om terugbetaling te verzoeken. Het liet natuurlijk het grote risico zien.  Als we Deut. 15 raadplegen, dan nuanceert het dat de verantwoordelijke terugbetaling van de lening alleen bij de vreemdelingen hoort. Dit zou kunnen want in Spr. 6:1b was het woord  rz” “strange”[23] (vgl. Deut. 15:3: נָּכְרִ֖י  “strange, alien”). In de context van “lening” mag de gever natuurlijk verantwoording van de lener vragen. Maar hij mag niet vergeten dat met ethische manieren te doen. Hij moet dat zonder geweld doen zijn, maar wel met barmhartigheid (v. 3).

Wat de rente betreft, kenden de buurlanden van Israël rente. Bijvoorbeeld in de Babylonische (in Esjnunna), Assyrische, Noord Mesopotamische maatschappij.[24] En die rente was te hoog. In Babylonië geldt 33% voor graan, en 20% voor geld.[25] Maar dat treffen we niet aan in het OT.[26] Waarschijnlijk kende Israël die rente in de dagelijkse praktijk, zoals in Deut. 23:21; vgl. 15:6 voorkomt, waarvan de vreemdeling rente mocht vragen. Dit is dus een uitzondering en geen discriminatie. Want ze kenden de regel goed. Van hen mogen ze dus rente eisen. Hoe hoog? Dat was niet bekend.  Wat de opvallende kwestie in de voorschriften is, zowel in Leviticus 25 als Deut. 15 en 23, is de broederschap, xa’ en niet de vreemdeling, yrIk.n”. Israël werd gevraagd om een model van barmhartigheid te worden. Maar in de moderne economie, die gegroeid is in de ingewikkelde maatschappij, denkt en doet de handelaar andersom. Iemand mag iets lenen,[27] evenals in het OT, maar met de voorwaarde: rente. Nogmaals zulke voorwaarden in het OT horen niet bij clan of stam.  Dat werd telkens aan Israël bevolen. Want elke clan moet verantwoordelijk zijn om de lening te geven aan hun broeder, die dit echt voor zijn leven nodig heeft. Niet meer en niet minder. Dat heeft niet te maken met een lucratief handeltje of commerciële motieven.[28] Hier is het [sociale] leven,  die waardevol is in de maatschappij, de enige reden om dit bevel te concretiseren. Het betekent dat het sociale leven beschermd moet blijven en er gezorgd moet kunnen worden. Tot zo ver lezen wij dat de bijbel dus nooit bezig is met een modern concept van rente, maar het heeft te maken met commerciële motieven van de economische zaken. Maar de vraag is, kunnen we daaruit concluderen dat we de implicatio van de rente in de moderne maatschappij mogen toepassen? Jongeneel beschouwde dat dat zou kunnen. Hoe groot dat zou zijn, noemde hij niet. Hij zei: “Concluderend kan worden opgemerkt dat het renteverbod in de context staat van het lenen aan de broeder in nood, die leent uit armoede. In een maatschappij en situatie waarin geld wel een bepaald produktief  vermogen heeft en het vanuit commerciële motieven geleend wordt ligt de zaak anders: daar mag een redelijke rente worden gevraagd.”[29]

Oneerlijke  handel[30]

De handel was in het OT kennelijk al bekend. Dat is tevens een behoorlijke aanduiding voor de economische zaak. Zo is het OT, zowel in de Pentateuch (Lev, 19:35; Deut. 25:13-16), in de profeten (Hos. 12:7; Am. 8:5; Mich. 6:11) als in de Wijsheidsliteratuur (Spr. 11:1; 16:11; 20:10, 23), bezig met degelijke issue. Twee bekende instrumenten van de handel of de transactie in het boek Spreuken, evenals in het Pentateuch en de Profeten, zijn mozane (weegschaal) en eben (gewicht). Het fundamentele gebruik van die twee instrumenten zijn eigenlijk: de oprechte en betrouwbare handel.

Maar in feite maakte niemand ooit zulke oneerlijke praktijken mee. Door deze twee instrumenten heeft hij/zij meestal aan oneerlijke praktijk, מִרְמָֽה, meegedaan. In de profetische boeken zien we hoe hard de profeten tegen deze praktijk gestreden hadden. Ze hadden niet alleen de misbruik in de kring van het sociale leven van Israel waargenomen, maar ook waarschuwden ze Israël zodat ze  zulke daden zouden afwijzen en probeert wat iets eerlijk zijn willen te doen.[31] De echo daarvan horen we in Spreuken 16:11; 20:10, 23. Het is verboden en het wordt ook verafschuwd door de HEER (Spr. 11:1, 20).[32] Heel vaak laat de Bijbel ons zien, dat het doelwit van dergelijke praktijken armoede is. Ze kunnen niks doen. Want ze worden beschouwd als de onbelangrijke klasse in de maatschappij. Of beter gezegd: ze hebben geen macht om te klagen en te protesteren. Wat belangrijk hierbij is, is dat ze niet meer in de barmhaartige wereld maar in een onbedwingbare wereld leven. Het is in hun ogen duidelijk hoe dat misbruik in het sociale leven steeds opstijgt. Naast מִרְמָֽה, oneerlijk, is ook de weegschaal en de gewicht van de handelaar aan het woord בּוֹצֵ֣עַ  (G part. masc., sing. from בצע “cut off, make a profit”), Spr. 15:27. Hierin is de orientatie van de handelaar duidelijk. Hij wil immers de winst te nemen (vgl. Jer. 6:13). Uiteraard is dat begrijpelijk bij de handel. Maar er moet gelet worden op dat iemand eerlijk de winst zou moeten nemen. Want HEER waarschuwt niet voor de winst maar voor de manier om die te krijgen.

Investering/belegging?

Prediker 11:1-2 wordt al lang geïnterpreteerd op verschillende manieren. De bekendste daarvan is de handelsactiviteit en de naastenliefde (traditioneel).[33] de laatste mening is gebaseerd op de Targoem. De meeste is dus de eerste: handelsactiviteit. Met andere woorden: ze beschouwen dat het een aanduiding is van de investering of de belegging in de context van de maritieme handel. Volgens hen is het brood een metafoor van een handelsartikel. In de afgebeelde noodsituatie verplichtte men dus de cargo naar een andere schip te verdelen.[34] Want als de handelaar zo doet, dan kan hij een groot risico vermijden en uiteraard gaat hij de winst later nemen/krijgen.  Maar het gegooide brood als metafoor kunnen we vergelijken met de context van Pred. 2:21. Daarin wordt gezegd  dat het brood hier de verdeling van de dingen onder  de andere mensen betekent. Deze verdeling garandeerde niet de voorspoed/de bloei. Dat heeft te maken met de context van a community of solidarity. Want niemand weet al wat er in de toekomst zal gebeuren (vs. 2; vgl. 7:12, 14; 8:7; 9:12; 10:14).  Dus hij/zij mag iets doen, in dit geval het brood verdelen onder zeven of acht mensen (vgl. 4:9-12, waarnaar twee en drie verdeling verwijst). Als hij het zo doet, dan krijgt hij de posibiliteit van de ondersteuning van iemand anders.  De context laat ons zien dus, zie vers 6, hoe we op de onduidelijke toekomst moeten reageren. Met deze verdeling doen we eigenlijk een investering van het leven.


[1] ‘richtlijn’ verwijst in dit geval naar de ethische handeling.

[2] Jongeneel, blz.

[3] Wright, Christopher J.H., Old Testament Ethics for the People of God, Illionis: InterVarsity Press, 2004., p. 48.

[4] Wat opvallend is in dit vers  zijn de woorden לְעָבְדָ֖הּ  “to work” en בְגַן־עֵ֔דֶן  “the Garden of Eden”.

[5] In dit vers  wordt specifiek gezegd: אֶל־הָאָ֖רֶץ  “naar het land”. Wij kunnen hier merken dat het land een van de elementen van Gods belofte is in Gen. 12:1-3.

[6] de manier van de verdeling is hier opvallend. Zoals gezegd werd in Joz. 15:1vv, dat het land aan hun geslachten (NBG, 1951) לְמִשְׁפְּחֹתָ֑ם  werd toebedeelde. Wright identificeerde mispaha als een  tweede belangrijk niveau van het sociale leven in Israël. In dit woord is er een tendens van de economische functie. Het was “a restorative and protective organism”. De andere rol van het sociale leven van Israël wordt gebaseerd op de zogenaamde bet ’ab (woordelijk: ‘vaders huis’). Evenals mispaha, fungeert bet ’ab ook als de fundamentele unit van de economische structuur in Israël. Wright, C.J.H., Walking in the ways of the Lord, p. 150-153.

[7] Uiteraard gaf God het land aan  Israël. Maar de tendens van ‘geven’ is hier dubbelzinnig . Aan de ene kant is het land hun eigendom, maar aan de andere kant zijn ze de lener; en dat betekent dat de HEER  de eigenaar is.

[8] Murphy verdeelde deze passage in vier delen: 1-5 “going surety” (financial backing); 6-11 “laziness”; 12-15 “characteristic of scoundrels”; 16-19 “saying about abominations to the LORD” .  Murphy, Roland E., Proverbs, in WBC: vol. 22, Nashville: Thomas Nelson Publishers, 1988. p. 37.

[9] Zie verder: Prov. 6:6-11 [24:30-34; 30:25]; 10:4-5; 12:11 [28:19], 24, 27; 13:4; 20:4,13; 21:5, 25; 22:13 [26:13]; 24:30-34; 26:13-16.

[10] Waarschijnlijk wordt er gerelateerd aan het Akkadisch, eslu. HALOT, 868.

[11] Er zijn vier Hebreeuwse woorden die heel vaak gebruikt worden in het boek Spreuken, namelijk: “bin/bina”, “tebunah”, “leb” and “sekel”.

[12] ‘Imperative’, volgens Murphy, is vooral effectief—meer een ironie dan een grap (zie 26:14).  Murphy, Proverbs, p. 151.  Volgens Tuinstra: De imperatives lek, ga, houdt uiterlijk het verband met het voorafgaande vast (vgl. vs. 3c).  Tuinstra, blz. 158.

[13] Voor ‘word wijs’, hakham. Bieden 8:33 en 23:19 goede parallelen. Luisteren naar de vermaning en naar de woorden van de wijze zal effect hebben, evenals het aanschouwelijk  onderwijs dat de mieren geven. ‘Word wijs’ is dus niet zozeer een bevel als wel het heilzame geloof: dan  zul je wijs worden. Tuinstra, 158.

[14] De mens wordt geschapen naar het beeld van God.  Het is bekend dat de koningen in het  oude oosten soms standbeelden van zichzelf plaatsten in gebieden die ze veroverd hadden. Dit beeld representeerde dit dan als het ware  de koning en beeldde symbolisch af dat het betreffende gebied aan de koning onderworpen was. Een   analoog is hier het geval. De mens krijgt  een hoge plaats in de schepping en mag Gods representant op de aarde zijn.  Arbeid hoort dus authentiek bij het mens-zijn en is geen gevolg van de zondeval, zoals soms wel eens wordt gedacht (blz. 57-58).

[16] Er wordt herhaald in 24:20-34.

[17] Belangstellend is, is dat het land in het boek Spreuken niet gezien wordt als het gebied.

[18] De luiheid staat ook incontrast  met de ijver  (10:4-5; 12:24, 27).

[19] Volgens de supperscriptie, zo zei Murphy, “one can only speculate on the reason for the absence of the title in the Greek (LXX) and Syriac (Peshitta); perhaps the superscription in 1:1 was simply considered sufficient. Murphy, Proverbs, p. 71

[20] Jongeneel: De Bijbel laat zien dat er allerlei factoren zijn die armoede veroorzaken kunnen. Daarbij wordt niet ontkend dat armoede het gevolg kan zijn van eigen schuld. Er kan sprake zijn van luiheid [een trage hand], een verkwistende levensstijl, alkoholisme en een verkeerd beleid [Spr. 6:9; 10:4; 13:7; 23:21; 28:19-20]. Armoede in Israël heeft te maken met ongehoorzaamheid aan Gods geboden en ongeloof in Zijn beloften. Aan Israël was immers, zoals nooit eerder en ook nooit later meer aan enig volk is toegezegd, beloofd dat God hen zou zegenen en dat er gewis geen armoede onder hen zou zijn [Deut 15:4]. Daarbij moet wel worden aangetekend dat dit alleen maar kan op Gods voorwaarden. De Heere wil armoede niet; Hij is een God die mildelijk en overvloedig geeft. Hij is het die uiteindelijk ‘arm en rijk maakt’ [1 Sam. 2:7-8] echter niet uit willekeur, maar Hij zal de onrechtmatige rijke arm maken en de door onrecht verdrukte  arme verheffen en rijk maken., blz. 50.

[21] Er zijn twee woorden voor de rente, נֶ֧שֶׁךְ  (letterlijk: mishandeling)מַרְבִּ֖ית  (letterlijk: vermeerdering). Er zou ook gezegd  kunnen worden dat de rente “dubbel en dwars” is. Zie ook R. de Vaux, Hoe het oude Israël leefde, blz. 302.

[22] Gispen, Leviticus, blz. 364.

[23] Dit is ook een uitdrukking voor “non-Israel” (Ex. 29:33).

[24] Zo zegt Gispen, blz. 364.

[25] Gispen, Leviticus, blz. 364. Zie ook R. de Vaux, Hoe het oude Israël leefde, blz. 302-303.

[26] R. de Vaux zei: “In de Hebreeuwse tekst van Neh. 5:11 las de Vulgaat  een interest van 1% per maand, maar dit gebeurde onder invloed van het gebruik  te Rome; de tekst zelf is bedorven”. R. de Vaux, Hoe het oude Israël leefde, blz. 303.

[27] Let er op: ze mogen alleen lenen in de kring van hun clan of stam. Want dat is de functie van mispaha en bet ’ab (zie C.J.H. Wright).

[28] Jongeneel, blz. 61.

[29] Jongeneel, blz. 62-63

[30] Deze term heeft te maken met de ethische en economische zaken.

[31] Strikingly, as Murphy quoted, dishonest weights are forbidden in the teaching of Amenemope (chapter 16, ANET, 423). Murphy, Proverbs, p. 80.

[32] לֵ֑ב   ‘heart’, vs. 20, means more than mere mind; here it is the basic attitude of a person (cf. 17:20).

[33] Voor de vervolgens discussie, zie Thomas Krüger, Kohelet (Prediger), in BKAT XIX. Neukirchener Verlag, 2000. blz.340;  G. Ch. Aalders, Prediker, (COT), blz. 232-233; Craig G. Bartholomew, Eccliasiastes, Baker Commentary, p. 335-336.

[34] Zie Longman, Ecclesiastes, p. 256.


Aksi

Information

Tinggalkan Balasan

Please log in using one of these methods to post your comment:

Logo WordPress.com

You are commenting using your WordPress.com account. Logout / Ubah )

Gambar Twitter

You are commenting using your Twitter account. Logout / Ubah )

Foto Facebook

You are commenting using your Facebook account. Logout / Ubah )

Foto Google+

You are commenting using your Google+ account. Logout / Ubah )

Connecting to %s




%d blogger menyukai ini: