Leesverslag

2 02 2011

door: Edward Hanock  Bron: Eep Talstra, Oude en Nieuwe Lezers: een inleiding in de methoden van uitleg van het Oude Testament, Kampen: Kok, 2002.

—————————————————————————————————————————————————-

1.  De werkomgeving: een inleiding

Exegese heeft niet alleen te maken met ambacht, maar ook met de confrontatie van generaties lezers en hun methoden.  Methode van exegese:  hangt de context van academische studie van de christelijke theologie.  Bijbellezen: invoegen in een bestaande cultuur van leesgemeenschappen (kerk, synagoge, academie).

Er zijn 3 discussiepunten tussen bijbeluitleg en andere vakwetenschappen, nl.: (1) De confrontatie van het bijbels wereldbeeld  met het natuurwetenschappelijk wereldbeeld: de (Bijbelse) oudheid in de moderne cultuur. Zo zien we dat in de confrontatie van Copernicus’ vise versus Ps. 93 (Russel en Wolterstorff).  Exegese beantwoordt zo’n vraag niet omdat die te maken heeft met: vertalen, analyseren, en historisch begrijpen.  (2) de confrontatie tussen de christelijke geloofsleer en het historisch-kritisch bijbelonderzoek: theologische eenheid van de bijbeltekst.  De inzet is de consistentie. Een mooi voorbeeld is ‘christocentrisch’ versus ‘eigen boodschap’  b.v. de OT-ische tekst (Job 19:25 gecombineerd met 1 Cor. 15:20; Klaagl. 1:12).  (3) De confrontatie van de teksten van het OT met ANET: oorspronkelijkheid van het OT (het eigene), zie bijvoorbeeld: de wijsheidsliteratuur (het boek Spreuken: Egyptische wijsheid, de Spreuken van Amenope); de wetgeving (het boek Exodus: Hammurapi, enz); godsdienst en geschiedenis (het boek 2 Kon. 3, politiek-religieuze teksten, zoals: Mesa-Stele).  Belangrijke punt(en) zijn dat het OT de taal van zijn eigen tijd en cultuur spreekt. De exegese  van het OT behoort zowel tot de theologie als tot de godsdienstwetenschap. Het godsdiensthistorisch onderzoek is van belang voor de exegese als theologisch vak!  Kennis van cultuurhistorische achtergronden van de teksten is onmisbaar om teksten in hun historische  context te kunnen plaatsen.  Deze 3 spelen een grote rol in de OT-ische exegese!

Methoden van exegese heeft te maken met 2 kanten: (1) een ambachtelijke kant: kennis en kundigheid zijn belangrijk om concrete teksten uit de oudheid te lezen en te vertalen; (2) een theologisch hermeneutische kant: de vragen naar de geldigheid, de eenheid en de oorspronkelijkheid van de OT-ische teksten.

Methoden zijn niet anders dan instrumenten om teksten te lezen en te begrijpen in hun eigen historische context.  O.H. Steck is bezig met historisch (oorspronkelijk, ontwikkeling v/d tekst, bepaalde historische).  Bovendien  hebben theologisch-hermeneutische vragen te maken met tekstinterpretatie, ze kiezen andere trefwoorden in hun titel.  Daarbij  ligt de nadruk op termen als lezen en hermeneutik. In dit kader noemt Talstra ook enkele geleerden, b.v. M. Oeming die bekend is met historische tekstanalyse en de moderne literaire benaderingen; L. Schrottroff  en anderen hebben de feministische exegese: de positie van vrouwen in het OT en ook de positie van vrouwen in de rol van lezeres, geanalyseerd en geredigeerd.  Ook J. Barton, die minder in discussie met theologische-hermeneutische vragen is, maar wel veel meer in discussie is met ontwikkelingen in de moderne literatuurwetenschap.  Het is wel gangbaar om in detheologische methoden van exegese en hermeneutiek te beginnen bij: a) uitgangspunten; en b) vooronderstellingen.

Talstra beschreef ook een concentratiepunt bij de activiteit van het lezen, nl. ‘vroeger’ en ‘nu’.  Respectievelijke vragen  houdt verband met ‘vroeger’:  hoe men verschillen en tegenstrijdigheden in de teksten zou kunnen verklaren of het is bekend met literaire kritiek en bronnen-analyse, in welke sociaal-culturele situatie de teksten geplaatst kunnen worden (analyse van vormen en genre), wat technieken voor literaire compositie waren in het oude Israël en oude Oosten (rethorische analyse). De nieuwe methoden van exegese tonen veel meer interesse in de activiteit van het lezen zelf, nl: de relatie tussen tekst en lezer, zowel in de oudheid als in de moderne tijd.  Naar de mening van Talstra is dat een fundamentele activiteit van exegese.

Voor alle methoden geldt de  beschikbaarheid van het tekstcorpus rond de bijbel en in de tradities zowel van de synagoge als van Christelijke kerken.  Dan is juist de vraag of men genoeg gedaan heeft wanneer men die verscheidenheid probeert te verklaren door haar te herleiden tot de oorspronkelijke tekst met een aantal bewerkingen.

Opmerking:

–          Drie genoemde confrontaties leiden het cruciaal- en actuele probleem in en ronden de praktijken van de exegese af. Hierbij is een Schriftlezing zonder methode.  Vandaar dat er een grote potentie van verkeerde (lezing +) interpretatie van de bijbel is.

–          Talstra beschreef specifiek wat hij bedoelt met ‘van tekst naar theorie’.  Daarin zien we twee magnetische polen  van de keuze van methoden.  Hoewel beide (blz.27-28)  met elkaar de methode opgeeïst hebben, zijn er geen overeenstemming in.

2.  De werkplaats: traditie en ambacht

M.b.t deze werkplaats en m.n. de vragen naar de taak van de exegese c.q. rondleiding.

In de exegese worden verschillende soorten vragen gesteld.  Hij noemt drie belangrijke- en nuttige vragen: (1) ambachtelijke vragen: manuscripten, teksteditie, vertalingen, grammatica’s en woorden boek.  (2) historische vragen: vormen van literatuur in de culturen van het oude Oosten, de historische situatie van de vermoedelijke eerste lezer. (3) hermeneuitische vragen omtrent: oorspronkelijke lezers en auteurs.  Om een antwoord op deze drie vragen te vinden, noemt Talstra twee methoden: wetenschappelijke- en analytische methoden. Daarnaast is er ook de traditie-theologische keuze. Let er op dat ambachtelijke-, en historische ‘vragen’ (i.p.v. methoden, blz. 38), helemaal geen uiteindelijke uitkomsten zijn, maar dat ze alleen de analytische stappen aantonen. De wetenschappelijke- en analytische methoden hebben, volgens hem, wel voorrang. Vervolgens gaan ambachtelijke exegetische methoden in principe alleen over gegevens en argumentatie, niet over de religieuze oriëntatie; die tonen slechts de analytische stappen en brengen niet de boodschap naar voren.  Op die manier zijn, volgens hem, methoden  belangrijk voor het eigen standpunt en de exegetische benadering.

I.v.m een voorstel tot ordening van vragen, noemt hij dat het moment van de confrontatie tussen de achtuele lezer met de wereld en de teksten in en rond de bijbel. Dit is natuurlijk belangrijk.  Daarom is het goed als een exegeet meteen studie van hermeneutiek en van de theologie (van het OT) gaat maken. Exegetische vragen hebben te maken met het formuleren van de ambachtelijke vragen en ook met het ordenen van de theologische vragen.

Er zijn drie fundamentele soorten activiteiten m.b.t. het werken met OT-ische teksten:

Inventariseren (inventarisatie): wat is het doel?  Uit welk tekstmateriaal (uit joodse en christelijke tradities) moeten we kiezen en om de vragen omtrent  het werkterrein van de exegese te beantwoorden?  Deze inventarisatie heeft te maken met de tekstsgeschiedenis. Talstra benoemt dat dit tot de vragen omtrent het domein, de route en het doel van de interpretatie van de teksten van het OT leidt.  Analyseren: dit is vooral een zakelijke en ambachtelijke taak. Het domein van deze activiteiten is: de taal, de structuur, de achtergrond en de beoogde lezers van teksten.  Dit dient bij het formuleren van vragen en antwoorden  over de verschillende religieuze  tradities achter de teksten en de vraag naar de samenhang tussen de teksten en de geloofsgemeenschappen.

Interpreteren: de tekst begrijpen is hier een belangrijke kwestie. In de interpretatie van teksten  raken methode en standpunt elkaar. Volgens hem bepalen deze drie activiteiten het volledige werkterrein van de exegese.  Om zijn bedoeling van bovenstaande activiteiten in dit hoofdstuk duidelijk te maken, geeft hij een voorbeeld uit Numeri 6:22-27. Hier is natuurlijk inventarisatie de eerste stap.  Hij  kiest deze tekst met twee redenen: (1) praktisch & (2) theologisch van aard.  Het gaat om de authentieke taal van de tekst (geen kunst, geen moraal en geen politiek!). Hij geeft ook informatie over het genre van deze tekst.  Daarna begint hij met het ‘overzicht’ van de tekst zelf, m.n. de overlevering en de oude vertalingen.  Bijvoorbeeld: uit het epigrafische materiaal, c.q. Ketef Hinnom, uit de MT van het OT (m.n. een verwantschap met Psalm. 67:2, 7-8; uit de Griekse traditie )de LXX en het boek de Wijsheid van Jezus Sirach, 50:20; uit de joodse traditie, c.q. Qumran, Misjna en Talmoed; uit de christelijke traditie (dit heeft te maken vooral met de liturgie en dogmatiek!).  Een ‘overzicht’ leidt een exegeet naar de volgende stap: het stellen van een aantal vragen over het werkterrein van de exegese.  Daarbij bepaalt Talstra metwelke tekst (van het tekstcorpus) een exegeet begint. Als een exegeet de MT kiest, dan moet hij goed opletten want de MT (het OT) is een door de joodse traditie  geautoriseerde overlevering (blz. 42-51). Na de inventarisatie neemt hij de analyse als volgende aanpak.  Naar mijn mening is deze aanpak niet anders dan de volgende beschrijving van de eerste activiteiten.  Met andere woorden, de inventarisatie is een globaal overzicht van de tekst, zelfs is de analyse een uitvoerige daarvan (blz. 52-72), b.v.: de syntaxis van de tekst, het lexicon, de literaire context, enz. Evenals de eerste stap die met aantal vragen eindigt, zo doet Talstra dat ook in deze stap. De nadrukkelijke vragen zijn de manier van wat de hedendaagse lezers verwachten in de tekst zelf te lezen vanaf hun vorm in de vroeg-Hebreeuwse fase tot en met hun plaats in de hedendaagse theologische discussies. En: hoe recht te doen in als zelfstandige teksten, enz. Volgens hem kunnen de verschillende teksten die zijn geïnventariseerd en geanalyseerd, worden gezien als een spiegel van verschillende tradities van lezen, schrijven, en uitleggen.

De interpretatiefase kent, volgens Talstra, in ieder geval drie momenten: het toetsen van argumenten (blz. 82: de toetsing heeft te maken met de competentie van de lezer!), de confrontatie met de teksttraditie-tekstlezingen  en de manier van de gebruikte argumenten. De toetsing van interpretatie is een beschrijving die gebaseerd is op de gekozen tekst, b.v. Num. 6:22-27. Maar ook romdom die centrale tekst moet een exegeet de teksttradities onderzoeken.  Daarin moet hij de praktijk binnen Israël destijds, bestaande uit joden en  christenen, beschrijven.  Talstra laat ons zien dat via de inventarisatie een beeld ontstaat van ‘de wereld achter de teksten’; via analyse onstaat inzicht in ‘de wereld van de tekst’; via de interpretatie kiest de lezer positie ‘ten overstaan van de tekst’.

Opmerking:

–          De activiteiten, c.q. verzameling/inventarisatie, analyse en interpretatie, worden goed gestructureerd. Hij begon met een verzameling van alle gegevens (van b.v. Num. 6:22-27), en dan analyseerde hij dat, tenslotte interpreteerde hij die tekst.

–          Maar in verband met inventarisatie (vragen) is, volgens mij, deze fase ingewikkeld.  Hij heeft uiteraard gelijk dat  alle overgeleverde teksten  het tekstcorpus zijn.  Maar volgens mij zijn die geschikt voor de analysefase.  Het is handig als deze stap met de bijbelvertaling (Staten Vertaling, NBG-‘51, WV-‘78/’95, NBV, enz., dus in eigen  taal of andere vertaling, b.v. engelstalige)  begint.

–          Toen hij de tekst (-corpus, vooral de Massoretische Tekst) analyseerde, deed hij dat vrij algemeen.  Ik begrijp dat hij dat doet in hoofdstuk 4.  Maar in ieder geval is, volgens mij,  de analyse (tekst) dieper  dan de inventarisatie.

3.  De werkindeling: een model

De werkindeling  houdt nauwkeurig verband met  het vormen van competente lezers.

De actuele uitdaging voor een  exegeet is de verhouding tussen de ambachtelijk, analytische kant en de interpretatieve kant van de exegese.  Daarom hebben de instrumenten voor taalkundige en letterkundige analyses  hier de eerste prioriteit. Let goed op dat zonder de interpretatiefase de theologie zinvolle tekstuitleg niet tot zou stand komen.

Het ambachtelijk standpunt is van binnen naar buiten: materiaal kennen (de bijbel en bijbehorende teksttraditie), methoden beheersen (in gesprek met wetenschap en cultuur), theologische keuzes expliciet maken (binnen het kader van een maatschappelijke stroming of welke achtergrond men ook meebrengt.

Talstra verduidelijkt dat men de teksten niet alleen terwille van de historische of godsdiensthistorische reconstructie verzamelt, maar ook om  hermeneutische redenen.  In de fase van analyse legt Talstra de nadruk op de Massoretische tekst als een speciaal punt van aandacht.  De MT heeft inderdaad te maken met de taalkundige analyse: woordvolgorde, betekenis, enz. Na de taalkundige analyse komen vragen die meer literaire aard zij: retorische vragen zoals ritme, woordherhaling, enz. Daarbij hoort ook een analitische tekst’ structuur.  En ten slotte is de analytisch- en historische achtergrond.

De derde fase, het interpreteren, heeft meestal te maken met moderne inleidingen  van methoden die vertegenwoordigd worden, hetzij in het klasieke (O.H. Steck, Richter, Fohrer, Hoffmann) standpunt: de exegese is vóór alles historisch kritisch, hetzij de exegese als debat tussen de wereld van de antieke tekst en die van de actuele lezer.  De centrale tekst voor Steck is de overgeleverde tekst in uiteindelijke vorm. De complexiteit van de tekst dwingt echter tot historische vraagstellingen en verklaringen.  Vandaar dat voor hem de historische-kritische exegetische methoden het concentratiepunt van de exegese zijn. Hij volgtdaarmee eerst analytische procedures (reconsructie van de tekst, enz.) en syntetische procedures (de redactionele vormgeving van de tekst).  De laatste is de procedure  die dient om een tekst inhoudelijk te plaatsen in zijn godsdiensthistorische milieu (genre en theologische thema’s).  In zijn benadering is  er geen plaats voor reader-respons (het debat van de wereld van de tekst en de wereld van de lezer), deconstructie, feministische interpretatie, etc.  Richter, Fohrer, Hofmann zijn sterker gemoderniseerd dan Steck.  Hun procedures zijn analytische procedures: tekstkritiek, literaire kritiek, taalkundige analyse, enz.; de synthetische procedures: compositie en redactie-kritiek, vragen naar tijd en auteur, etc.; tenslotte komt de interpreterende fase, onder de benaming Theologische Kritiek. Wat opvallend is volgens Talstra, is dat taalkundige analyse komt ná de literaire analyse en niet ervoor. De reden is het ideaal van rationaliteit en universaliteit.  De klassieke-moderne  methodologieën  zijn een sterke interesse in oorspronkelijkheid en eenduidigheid, een duidelijke volgorde van processen van reconstructie, een duidelijk onderscheid tussen literaire analyse en theologische interpretatie.  De speelruimte van de lezer is zeer beperkt.

Nieuwere: experimenten inleidingen (McKenzie en Haynes).  Deze heeft inmiddels te maken met wetenschappelijk gewicht,  Barton b.v., maakt nadrukkelijk de beweging van historisch-kritisch naar literatuurwetenschappelijk.  Voor Barton betekent literair onderzoek veel meer dan historisch onderzoek (het gesprek met de tekst).  In de oudtestamentische methodologie voert Barton het begrip competent reader. McKenzie  en Haynes schenken geen aandacht aan het andere alternatief: taalkundige  benaderingen  van tekstanalyse.  Taalgebruik werd geanalyseerd  als typerend voor de auteurs en hun documenten, typerend voor literaire genre en cultische/maatschappelijke context (zie ook H. Schweizer). Hardmeier  zoekt, volgens Taltstra,  sterker naar communicatieve  effecten in teksten.  Want teksten kunnen begrepen worden als een produkt van menselijke communicatie in taal, gebaar en situatie.  De analyse van de gebruikte taal van een tekst zal ons daarom ver brengen, maar niet ver genoeg, want die moet worden aangevuld met teksttheorie.   Alleen zo kan exegese een brugfunctie vervullen tussen de oorspronkelijke communicatie en de nieuwe communicatie (actuele lezers en overgeleverde tekst).

Er is een debat tussen modern en post-modern.  De invloed van modern is de aandacht voor taalkundige en analytische procedures: tekstkritiek, syntactische en semantische analyse, etc.  De invloed van post-modere benadering is niet zozeer in procedures, maar een houding: exegese is onthullen.  Exegese moet, volgens post-modernen, de belangen achter de teksten onthullen en tegelijkertijd de belangen van actuele lezers in confrontatie met de teksten formuleren.

Op basis van enkele vragen (blz. 113) stelt Talstra zijn klassieke en modern exegetische methoden (in  twee fundamentele opposities) tussen:

I.  teksmateriaal (algemeen) <– –>  tekstcorpus (bijzonder); II. systeem (taal) <—-> compositie (literatuur). Dit is een basis voor zijn volgende matrix van hetonderzoeksterrein (zie blz. 114).  Zijn matrix wordt daarna gepraktiseerd metNum. 6:22-27:

–          taal en structuur: vertrekpunt van de teksanalyse is de studie van grammatica en syntaxis van de tekst.

–          structuur en strategie: (is) de taalkundige.

–          strategie en reconstuctie: een proces van tekst overleveren en trachten/ proberen te beargumenteren wat de verschillen tussen de MT en andere tradities zijn.

–          reconstructie en adres: de adressing en de receptie van de tekst, hetzij de sfeer van de tekstanalyse, hetzij de tekstreconstructie.

Opmerking:

–          De aanpak van Talstra in de verzamel-fase wordt altijd gepresenteerd  met  een soort vraag, of er een verhouding is met de gekozen tekst met het andere tekstcorpus.

–          Dit hoofdstuk legt de nadruk vooral op de analytische tekst. Daaraan besteedt hij te veel aandacht (m.i.).  Het is begrijpelijk,  omdat zijn standpunt het tekscorpus is.  Vandaar zijn aanbeveling dat wanneer hij de tekst heeft gekozen, hij niet vergeet om de tendens van het religieuze milieu te zoeken, en als dat zou kunnen, dan mag je die gebruiken.

4.  Werk in uitvoering

In dit hoofdstuk maakt Talstra zijn  vaste regel voor exegese duidelijk: (1) taal en structuur: de syntactische analytische, (2) structuur en strategie: syntactische analyse en literaire compositie, (3) strategie en reconstructive: literaire compositie en diachronie, (4) reconstructie en adres: diachronie en lezers.  De taal (en structuur) is van belang, omdat bewust of onbewust een lezer eerst gebruik maakt van de verschillende taalmiddelen waarmee een tekst is opgebouwd.  Daarom vindt hij dat de taalkundige analyse ook een goed instrument is om het eerste materiaal te leveren voor de latere fases van de exegese, van historisch gerichte vragen tot en met het kritische, hermeneutische geprek tussen actuele lezer en tekst.  Wat betreft de structuur vindt hij dat het beste vertrekpunt het maken van een indeling van de tekst in enkelvoudige zinnen is.  Let er op dat een exegeet de zinnen met ten hoogste één predikaat, werkwoordelijk of naamwoordelijk en een ander element probeert te zoeken  (zie blz. 124 als  een model daarvan).  Een tekst bestaat immers niet uit een reeks van bepaalde soorten zinnen. Een tekst wordt werkelijk een tekst doordat er allerlei relaties of verschillende mechanismen van de tekst, de interne relaties, zijn: (1) morfologische gegevens: markering van persoon, getal en geslacht.  Talstra noemt daarbij pronominalisatie en renominalisatie (het terugverwijzingen naar participanten of spelers in de tekst); (2) patronen in de syntaxis: (vooral) zinstypen en werkwoordsvormen (de onderscheiding van hoofdlijn en zijlijn in een tekst). (3) gegevens uit het lexicon: herhaling of contrast van bepaalde termen.  Dergelijke mechanismen zijn belangrijk voor een exegeet.  Daarvoor moet hij rekenschap afleggen.  Vanaf blz.128-138 laat Talstra zien hoe belangrijk en nuttig de structuur-analyse is.  Daarbij noemt hij enkele elementen van de tekst (structuur), in dit geval het verhaal. Vervolgens moet een exegeet naar de functie van de verschillende onderdelen van de tekst (b.v. 1 Kon. 21) vragen. Daarna kan een exegeet doorwerken aan de indeling van de tekst.

Zonder verdere communicatieve strategie was een tekst immers alleen een correct vormegegeven mededeling. Dus het is de taak van een exegeet om in deze tweede ronde een goede balans te vinden tussen structuur en strategie óf  tussen het algemene, de taalkundige middelen en het bijzondere, het retorische effect an een unieke tekst.  Een exegeet denkt vaak dat die balans  moelijk is.  Een exegeet moet naar het samenspel van structuur en strategie te zoeken en dit vergemakkelijken. Maar dit moet allemaal gebaseerd worden op de indeling van de eerste stap, zoals wat Talstra tot voorbeeld genomen heeft c.q. 1 Kon. 21:1-16 en 17-29.  Op drie punten moet de lezer (een exegeet?) zich opnieuw oriënteren: (1) andere spelers, (2) andere terminologie, (3) in de tekst.  Want in deze drie treft een exegeet een  duidelijk verhaal met een eigen rolverdeling aan.

De kwestie van strategie en reconstructie (literaire compositie en diachronie) is een groeiproces van de tekst.  Om  (het aspect van) een groeiproces  te weten te komen, zou een exegeet de structuur moeten raadplegen.  En daarna de overlevering van de tekst.  In dit geval gebruikt hij  de Hebreeuwse tekst en de oude vertalingen; bovendien is er ook een vergelijking van het idioom van beide indelingen (1-16 en 17-29). Dan is een poging tot reconstructie van de tekst c.q. de inventarisatie van zulke gegevens onmisbaar. De gekozen tekst kan men dan zien als ‘database’.   In dit verband noemt Talstra andere teksten, b.v. ‘profetenverhalen’ in het hetzelfde boek (=1 Koningen!).  Wat we daarin zien zijn de opvallende elementen: een climax: dezelfde en verschillende.  Het idioom laat zowel de frase als het woord zien.  Ook zijn er parallellen.  Het is de moeite waard om parallellen  te zoeken bij de opvallende grammaticale constructie van de woorden.  Het laatste is het onderzoek van andere exegeten.  Talstra beschouwt dat bovenstaande stappen van belang zijn.  Hij verwijst naar het voorbeeld van 1 Kon. 21:16 en 17-29, hij noemt de mogelijkheid van de verbinding hiervan.

Wat ook opvallend daarin is zijn de methoden van reconstructie.  Hij probeert met meer klassieke handboeken methoden van exegese te vergelijken.  Daarin komt hij twee belangrijke verschillen tegen: (1) analytische vragen ter reconstructie van de tekst zijn niet het vertrektpunt van alle exegese; het vertrektpunt ligt bij de analyse van structuur en strategie. (2) de verschillende vragen ter reconstructie moeten wel in een zekere volgorde worden gesteld: literaire analyse, analyse: van genres, van redacties, etc.  In ieder geval noemt hij dat literair-kritische analyse te maken heeft met de oorspronkelijke eenheid (verwijst naar het voorbeeld van de indeling van 1 Kon. 21:1-29). De tweede reconstructie is de vorm-kritische analyse die houdt nauwkeurig verband met het type communicatie dat de tekst tot stand wil brengen tussen auteurs en de beoogde groep van lezers en ook de sociale en communicatieve functie van een specifiek tekstgenre.  Om ander voorbeeld te noemen, neemt Talstra het inzicht van Würthwein die het eerste deel als een verhaal van de misdaad van een koning en het tweede als deuteronomistisch theologisch commentaar benadrukt.  D.w.z.: het genre van het  1e deel  is een novelle en het 2e deel is een religieus commentaar: geschiedenistheologie.  Derde is de redactie –kritische analyse. De kwestie die hier speelt is een verwachting als de oorpronkelijke literaire van de tekst niet een eenheid is. Met andere woorden, men kan dan latere bewerkingen of uitbreidingen van een een andere versie van de tekst identificeren. In verband met het boek Koningen spreekt men meestal het deuteronomische Geschiedwerk aan (DtrG = vanaf het boek Deut. t/m 1-2 Kon. zijn één literair werk). Daar vandaan komt de idee dat de redactie waarschijnlijk een grote rol speelt. Daarnaast horen ook de compositie-kritische analyse (die bezig is met schrijftelijke of mondelinge literatuur achter deze huidige tekst) en overleverings-kritische analyse (heeft te maken met de kwestie van theologische traditie in de tekst) bij deze frase.  Talstra laat weten dat in zijn studie het zoeken naar tradities achter een tekst wordt behandeld als één methode van historische tekstanalyse.

Opmerking:

–          Dit is een uitgebreid en compleet voorbeeld voor een ‘methode’ van uitleg van het OT.  Talstra laat ons weten dat hij  bij het tekstonderzoek sterk  is.  Hij begint met een tekst (typisch synchronisch)  en  intussen is hij ook bezig met diachronische benadering.

–          Ik verwachtte dat hij in dit hoofdstuk ‘filologische fase’ informatie wil geven, maar dat kom ik niet tegen.  Hij geeft alleen een paar modelen van tekstanalyse. Dat dacht ik, in het kader van de taak van de ambachtelijke exegeet, ‘filologisch’ is ook belangrijk.  Ik vermoed dat hij dat niet doet, omdat dit boek slechts een inleiding.

5.  Teksten in soorten

De verschillende soorten teksten vertegenwoordigen allen heel verschillende vormen van expressie en communicatie.  Talstra noemt drie andere tekstsoorten naast de eerste van 1 Koningen 21, die hij  ‘teksten in de taal van verhaal en traditie’ noemt.  Drie andere soorten,  die hier worden toegevoegd, zijn:

(1)    teksten in de taal van instructie, bv. Deut. 4:1-40: de stem van de enige God;

(2)   teksten in de taal van profetie, bv. Jesaja 46: theologie, identiteit en toekomst;

(3)    teksten in de taal van liturgie en aanbidding, bv. Psalm 67: zegen voor Israël en de volkeren of Psalm 93: schepping en kosmos.

De fase, die te maken heeft met deze drie andere soorten teksten, is natuurlijk begonnen met vertaling en daarna syntaxis.  Dat is een methode die standaard blijft en onbepaald tot alle genres (soorten teksten).  Mijn mening/idee is dat deze eerste fase geactualiseerd wordt.

Na deze fase zijn de syntaxis en participanten van belang. Hij zegt dat bij de analyse van de syntaxis , bv. van Deuteronomium 4, al snel duidelijk wordt dat een betogende tekst, zoals deze, op een heel andere manier gebruik maakt van taalkundige signalen voor structuur en markering van de spelers of personen dan een verhalende tekst zoals 1 Koningen 21. Bij Deut. 4 komen we hoofdzin- en bijzinconstructies tegen die veel complexer zijn.  Daarbij is er ook de wisseling van singularis en pluralis.  Een belangrijk deel van de syntactische structuur van de tekst wordt ondersteund door de herhaling van woorden op plaatsen die ook een grammaticale signalering van de tekststructuur laten zien. Aan het eind van deze analyse probeert hij de zogenaamde teksthiërarchie-structuur te maken en te presenteren (blz. 217). Het werk van de analyse gaat door met de spelers in de tekst en het communicatieve proces (actanten en communicatie) dat zich afspeelt.  Let er op dat de zogenaamde ‘speler’, volgens hem, ook de (huidige) lezer is.  Een stap verder is het detail van woordherhalingen en semantiek.  Dat heeft, volgens Talstra, te maken met de selectie van woorden, die uiteraard veelbetekenend zijn (meerder functies). Na deze fase is ‘strategie en reconstructie’, c.q. literaire compositie en diachronie van belang.  Op het grensvlak van strategie en reconstructie moeten er daarom nu vragen worden beantwoord op twee onderling samenhangende terreinen:

–          is er sprake van literaire gelaagdheid binnen het hoofdstuk zelf? Is de tekst bewerkt of aangevuld?

–          Is er iets te zeggen over de positie van deze tekst in de compositie van het boek als geheel?

Daarnaast zijn er ook vier elementen die te maken hebben met tekstreconstructie, zoals gepresenteerd werd  in hoofdstuk 4, c.q. tekst en structuur, idioom en taalkundige vergelijking, tekstoverlevering en oude vertalingen en exegetische opvattingen. Vanuit deze vier elementen, vestigt hij de aandacht op het derde: “tekstoverlevering en oude vertalingen”.  De kwesties, die hier beargumenteerd moeten worden, zijn, volgens Talstra, de taalverschijnselen  van oude vertalingen.  Die taalverschijnselen  (in oude vertalingen) worden ‘gegevens’.  Op basis van Massoretische Tekst moet een exegeet een ‘conclusie’ trekken. Ten slotte moet hij dat voorstellen tot een mogelijk oorspronkelijkere tekst, is zijn suggestie.

Op blz. 232-237 beschrijft Talstra nog een keer de methoden van reconstructie. Hierbij is de diachronische benadering: literair kritische analyse, vorm kritische analyse, etc van belang.  Wat belangrijk is,  is wat heeft hij genoemd op blz. 238-241, volgens mij. Daaruit concludeer ik dat er verschillende typen van lezers zijn: oude en nieuwe lezers, en recepties:  eerdere en latere recepties; jodendom en christendom.

Opmerking:

–          Hij noemt in dit hoofdstuk andere manieren van hoe een exegeet de teksten  en soorten  zou moeten formuleren. Dat is natuurlijk afhankelijk van de creativiteit van de exegeet zelf.

–          Om te denken om welke lezer het gaat, noem ik bij voorkeur gewoon ‘Israël’ (destijds) omdat dit de eerste lezer was.

–          Tot zo ver kom ik  een structurele stap tegen , die voor alle teksten en soorten (proza, poëzie, etc.) toegepast kan worden.


Aksi

Information

Tinggalkan Balasan

Please log in using one of these methods to post your comment:

Logo WordPress.com

You are commenting using your WordPress.com account. Logout / Ubah )

Gambar Twitter

You are commenting using your Twitter account. Logout / Ubah )

Foto Facebook

You are commenting using your Facebook account. Logout / Ubah )

Foto Google+

You are commenting using your Google+ account. Logout / Ubah )

Connecting to %s




%d blogger menyukai ini: