Leesverslag

8 02 2011

door: Edward Hanock

Bron: Woude, A.S. van der, Inleiding tot de studie van het Oude Testament, Kampen 1986.

————————————————————————————————————————————————-

De wordingsgeschiedenis van het OT

A.S. van der Woude

De term ‘Oude Testament’ is een erfenis van christendom. Deze term werd later toegepast op de boeken die van het Oude Verbond getuigen. Daarbij is ‘testament’ ontleend aan het Latijnse testamentum (in de z.g. Vetus Latina, de op de LXX gebaseerde vertaling). VL vertaalt dus het Griekse woord diatheke (de LXX) met testamentum. Het Griekse diatheke, i.c. gaat terug naar het Hebreeuwse berit, “verbond” betekent. In het NT wordt in overeenstemming met vroeg-Joods gebruik naar de oudtestamentische geschriften gewezen, bijvoorbeeld: de wet en de profeten (Mat. 5:17; Luc. 16:16), de wet en de profeten en de psalmen (Luc. 24:44), maar ook enkel met de wet (Joh. 12:34; 1 Cor. 14:21), de Schrift (Gal. 3:8, 22) of de (heilige) Schriften[1] (Rom. 1:2; 2 Tim. 3:15; Luc. 24:27; Hand. 17:2, 11). De kleinzoon van Jezus Sirach (in de proloog) sprak van de wet en de profeten en de andere boeken. Zelfs in het Jodendom is in de masoretische tijd de benaming Tenach ter aanduiding van de Hebreeuwse Bijbel gebruikt. Uit het Latijnse biblia, begrijpen wij dat het Oude (en het Nieuwe) Testament een verzameling van geschriften uit verschillende tijd en van verschillende herkomst is. De oudste gedeelten van het OT kunnen teruggaan op de Mozaïsche periode, de jongste gedeelten stammen uit de 2e eeuw v. Chr. De Hebreeuwse canon omvat 39 boeken. De Roomskatholieke Christenheid rekent op grond van de Alexandrijnse canon en in aansluiting bij de vroegchristelijke traditie tot het OT nog een aantal deutero-canonieke geschriften (vgl. de LXX en Vul.).

De canonieke indeling, nl. de Wet, de Profeten en de Geschriften, kan ons nauwelijks aanwijzingen versterken voor het literair-historische onderzoek naar de wordingsgeschiedenis van het OT. Als regel staan ons te weinig objectieve criteria ten dienste om de wordingsgeschiedenis van een geschrift, een onderdeel daarvan of een reeks van boeken te reconstrueren. Zo zijn linguïstische en stilistische maatstaven ter bepaling van de ouderdom van een boek of een gedeelte daarvan slechts beperkt voor handen en moeten deze bovendien nog met omzichtigheid worden toegepast.

Van een kritisch-systematisch onderzoek naar de wordingsgeschiedenis van het OT kan niet gesproken worden vóór de tijd dat de Verlichting zich op het standpunt stelde dat de Bijbelse geschriften op dezelfde manier als alle andere literatuur dienden de worden bestuurd.

Van der Woude neemt zijn uitgangspunt bij Wellhausen aan, omdat de oudtestamentische wetenschap, meer dan honderd jaar nadat hij die in 1878 publiceerde, ondanks groeiende kritiek op zijn standpunten. Volgens van der Woude ligt de originaliteit van Wellhausen niet in de onderscheiding van de bronnen die aan de Pentateuch ten grondslag liggen, maar in de wijze waarop hij op basis van voorafgaand onderzoek een overtuigend beeld ontwierp van een procesmatig verlopende godsdienstgeschiedenis van Oud-Israël in samenhang met een literairhistorische analyse van de bronnen (‘J’ omstreeks 850 v. Chr., ‘E’: 700 v. Chr., oer-D, die identiek is met het wetboek ten tijde van koning Josia in 622/21 v. Chr.; en ‘P’: 500-450 v. Chr.). Voor Wellhausen was dit brongeschrift echter het uitgangspunt van het latere Jodendom, waarvoor hij als wetsreligie geen hoge waardering kon opbrengen. Wellhausen onderbouwde de datering van JEDP door zijn visie op de Oud-Israëls godsdiensthistorie: bv. altaren, hoogten, de projectie van een tabernakel (woestijntijd), het oudste ritueel zoals het gemeenschapsoffer, nieuwjaarsfeest en grote verzoendag, enz. De andere is het archimedische punt van de bronnentheorie. Deze benadering vormt de identificatie van D (of: oer-D) met het wetboek van Jozia. Deze identificatie wordt echter meer en meer in twijfel getrokken of zelf beslist ontkend.

Scherpe kritiek op de bronnentheorie is niet enkel gekomen uit degenen die het ongeoorloofd achtten goed lopende verhalen uiteen te rafelen in verschillende bronnen, maar ook van cultuur- en godsdiensthistorici. De oplossing van het probleem van de wordingsgeschiedenis van de boeken Genesis tot 1 Koningen vormt een van grootste uitdagingen voor ons.

Wat Kronieken tot en met Ezra-Nehemia betreft, kunnen we ‘als theorie’ één Chronistisch geschiedwerk van een auteur vormen. Dat de slotwoorden van Kronieken (2 Kron. 36:22v) gelijkluidend zijn aan de eerste van Ezra (Ezr. 1:1-3) is geen bewijs voor de literaire eenheid van de geschriften, maar kan duiden op latere redactie. Niet alleen linguïstisch en stilistisch, maar vooral ook theologisch verschillen Kronieken en Ezra-Nehemia sterk van elkaar. Maakt men Kronieken literair los van Ezra-Nehemia, dan is een datering van eerstgenoemd geschrift omstreeks 400 niet zeker, maar kan ook gedacht worden aan de vroege na-exilische tijd, als men tenminste bereid is 1 Kronieken 1-9 en 23-27 met vele commentatoren voor latere tijd te houden. Een beslissing betreffende de ontstaanstijd van de 1e uitgave van Kronieken zal echter mede gebaseerd op een hernieuwd onderzoek naar taal en stijl van deze geschriften genomen moeten worden.

Engnell meende al dat het vrijwel onmogelijk is onderscheid te maken tussen de eigen woorden van de profeten en de stem van latere tradenten. Eigen studie van profetische boeken heeft ons tot de conclusie gebracht dat het redactionele proces waaraan deze onderworpen werden, doorgaans minder ingrijpend is geweest dan door velen wordt aangenomen. Aan mondelinge traditie zal daarom niet een te grote rol moeten worden toegekend. Over de ontstaansgeschiedenis van de overige boeken van het OT (de Wijsheidsliteratuur, Psalmen, Ruth, Ester, Klaagliederen, Daniël) kunnen we kort zijn. De datering van de afzonderlijke psalmen is vanwege de geaardheid van deze liederen omstreden. In veel gevallen zal men moeten erkennen dat zij geen aanknopingspunten bieden voor de bepaling van hun ontstaanstijd. Een probleem apart vormt het boek Daniël. Volgens sommigen is dit boek een oorspronkelijke literaire eenheid uit de tijd van de Makkabeeën, anderen zijn in het bestaande geschrift een Arameese bundel verwekt (Dan. 2-7) die al in de 3e eeuw gecodificeerd.

Opmerking

–          In ieder geval is de zogenaamde bronnentheorie, archimedische punt, chronistisch geschiedwerk, etc., een nasporing van de tekst zelf (of: de synchronische benaderingswijze).

–          Als conclusie geeft van der Woude geen nieuwe opties, behalve de gangbare methode die hij zich tot vier classificaties beperkt c.q. Genesis-II Koningen, 1 Kronieken-Ezra en Nehemia, de Profeten, en de overige Boeken.

De talen van het Oude Testament

J.C. Moor

De reden om Hebreeuws te leren is, volgens de Moor, dat het OT nog nooit helemaal vertaald is en uit de taal spreekt van de mentaliteit van het volk. Het eerste heeft, volgens mij, te maken met een verschillende vertaling of met ‘vertaalproblemen’. Het tweede heeft te maken met een ‘psychologisch’ middel. In dit geval dringt de mentaliteit van het Hebreeuws van het oude Israël tot ons door. Daarom zegt hij dat Hebreeuws onmisbaar is.

Het Hebreeuws is één van de Noordwesten Semitische talen (de z.g. Kanaänitische talen, vgl. Jes. 19:18). Omdat de talen van Ugarit, Fenicië, Moab, Aram en Ammon tot die groep behoren, zien we twee hypothesen: (1) De voorvaderen van het volk Israël spraken oorspronkelijk een andere taal, maar maakten zich het Kanaänitisch dialect eigen toen zij zich in het land hadden gevestigd. (2) De voorvaderen van Israël spraken een Kanaänitisch taal, d.w.z. zij waren waarschijnlijk zelf Kanaänieten van afkomst. De meeste historische gegevens wijzen in de richting van de 2e hypothese. Dit is geen definitieve conclusie, want hierbij zijn weer twee varianten denkbaar: (a) de voorvaderen van Israël zijn proto-Aramees sprekende nomaden uit Noord-Syrië (vgl. Gen. 24:10; 25:20; 28:5; 31:20, 47; Deut. 26:5); (b) de voorvaderen van Israël zijn proto-Hebreeuws sprekende inwoners van het zuiden van Palestina. Het verschil van Aramees (sprekende stammen) en van Hebreeuws (sprekende Zuid-Kanaänieten) is niet zo groot.

Over het algemeen onderscheidt men vier grote perioden in de ontwikkeling van het Hebreeuws: (i) bijbels Hebreeuws (oud- of klassiek Hebreeuws). Dit is een schrijftaal of literaire taal tussen de 10e en de 2e eeuw v. Chr.; (ii) middel Hebreeuws, gepresenteerd door apocriefe boeken als dat van Ben Sirach, de Qumran en de z.g. Misjna Hebreeuws (een jongere fase). (iii) laat Hebreeuws. Na de 2e eeuw houdt het Hebreeuws definitief op een normale spreektaal te zijn. Maar vanwege het gezag van de Schrift en de Misjna bleef het Hebreeuws wel een gesproken taal. (iv) modern Hebreeuws, de taal van de huidige staat Israël. E. Ben Yehuda speelt een grote rol in het opwekken van deze ‘dode taal’.

Een bezwaar is gekomen, toen enkele epigrafisch Hebreeuwse teksten, die tussen de 12e en de 2e eeuw v. Chr. Geschreven zijn, tot klassiek Hebreeuws behoorden. Volgens de Moor, moet er rekening mee gehouden worden dat (1) de epigrafische teksten de verschillende dialecten van het Hebreeuws trouwer dan het literaire Hebreeuws van het OT weerspiegelen. (2)Daarnaast vertoont het Hebreeuws van het OT oorspronkelijk ook wel grotere verschillen, maar dit is achteraf geüniformeerd. Bij deze twee hypothesen zegt hij dat er waarschijnlijk een element van waarheid in schuilt. Want in het OT is een getuigenis, het betreft een dialectisch verschil in uitspraak. Bijvoorbeeld tussen Gilead en Efraïm (Richt. 12:6). Dus het verschil is weliswaar niet zo groot. Echter is er het vermoeden, zoals de 2e hypothese aangeeft, dat in alle literaire overlevering van het oude Nabije Oosten de neiging tot standaardisatie van het taalgebruik bestaat. De meeste gedeelten van het OT zijn door Judese kanalen, door de traditie, overgeleverd. Dit leidt ons naar een veronderstelling dat het algemeen beschaafd Judees maatgevend is geworden voor wat correct literair Hebreeuws mocht heten. Judees, zoals wij weten, is een gangbare aanduiding van het Hebreeuws geweest (vgl. 2 Kon. 18:26, 28; Neh. 13:24). Deze standaardisatie betekende, volgens de Moor, dat werken die oorspronkelijk in een Hebreeuws dialect waren geschreven of die een ouder stadium van het Judees vertegenwoordigden, later zijn bijgeschaafd in de richting van het literaire Hebreeuws.

De nivellerende werking van het Judeese literaire Hebreeuws is niet de enige complicerende factor waarvoor de Hebraïst staat. Want de oude overleveringen werden telkens weer geactualiseerd en dat is een langdurig proces van bewerking en herbewerking, van oud en nieuw tot een bijna onontwarbaar vlechtwerk dat ineen moet worden geweven. De latere generaties hebben de oude woorden niet goed begrepen. Juist de oudste delen van het OT zijn slecht overgeleverd. Daarbij moet men bedenken dat de oude handschriften ook nog in een ander schrift waren uitgevoerd dan het latere z.g. Joods-Arameese schrift van o.a. de rollen van Qumran. Het feit is dat zowel binnen de overlevering in het oud-Hebreeuwse schrift als bij de omzetting naar het Joods-Arameese schrift door schrijvers die de oude teksten nog maar half begrepen, veel mis is gegaan. Daarnaast kunnen we hier opmerken dat ook de toevoeging van de vocaaltekens en de accenten pas plaats vonden in de Middeleeuwen, toen het ondoenlijk bleek de juiste voordracht van de tekst nog te garanderen door mondelinge overlevering. Getuigenissen betreffende de uitspraak van het Hebreeuws in de voor-masoretische tijd wijzen op aanzienlijke verschillen in vocalisatie (zie bv. Middeleeuwse handschriften van de Nevi’im en Ketuvim). We moeten er op letten dat tijdens de laatste fase van de overlevering, vóór de definitieve vaststelling van de MT, nog slechts weinige geleerden in staat waren zuiver Hebreeuws te spreken. De normale spreektaal was sinds de tweede eeuw v. Chr. een mengelmoes van Hebreeuws en Aramees, waarbij de Arameese component steeds meer aan invloed won.

Vanaf blz. 37-44 introduceert de Moor de kennis van de literatuur betreffende de grammatica en het woordenboek van Bijbels Hebreeuws.

Volgens de Moor, is het mogelijk dat een deel van de voorvaderen van het volk Israël zich tot de Arameeërs rekende. Maar de oudste tegenwoordige bekende Arameese teksten dateren uit veel latere tijd d.w.z. de 9e tot de 6e eeuw v. Chr. Daarbij is opvallend dat dit z.g. Oud Aramees in heel veel opzichten nog dichter bij de Kanaänitische talen staat dan het latere Aramees. De eenvoudige constructie van het Aramees en de wijde verspreiding van de Aramees-sprekende bevolkingsgroepen maakten het Aramees zo tot een ideale keuze, toen men genoodzaakt werd een geschikte opvolger te vinden voor het Babylonisch-Assyrisch dat in het 2e millennium v. Chr. als lingua franca van het hele Nabije Oosten was.

Opmerking:

–          Als we nauwkeurig de Semitische talen, i.c. met het Hebreeuws bestuderen, dan treffen we het element van historische fase aan. Men moet dan goed opletten, vooral op de uitschakeling van de mondelinge tot de schriftelijke fase van het Hebreeuws.

–          De kennis van de Bijbelse grondtalen (Hebreeuws, Aramees, Grieks) is geen enige garantie voor de oplossing van de moeilijke probleemvertaling.  Het is echter een toegang tot het begin van het begrip van een boodschap.

Geschiedenis en Godsdienstgeschiedenis van Oud-Israël

en het Oude Testament

M.J. Mulder

Opvallend is, volgens mij, dat het vanaf het begin van de verzameling geschriften (TENAKH in de Joodse traditie en het Oude Testament in het christendom) nooit de bedoeling is geweest om ons over allerlei historische, geografische, culturele of zelfs religieuze zaken op wetenschappelijke wijze te informeren. Ondertussen bezitten we in dat OT wel een uit het oogpunt van de (godsdienst)historici vrij willekeurige bloemlezingen uit de oud-israëlitische cultuur, de literatuur en de godsdienstgeschiedenis.

De ontwikkelingen in de wetenschap en in onze kennis aangaande Israël en zijn umwelt hebben onweerlegbaar aangetoond dat het OT niet zomaar als handboek voor de geschiedenis en de godsdienstgeschiedenis van Oud-Israël te gebruiken valt. Eer we in staat zijn zelfs nog maar een enigszins betrouwbare proeve van Israël (godsdienst)geschiedenis te schrijven. Tot vandaag toe is het OT echter één van de voornaamste bronnen—zo niet de voornaamste—voor onze kennis van Israëls politieke, maatschappelijke, culturele en religieuze geschiedenis in een grijs verleden.

In de loop van de tijd, vooral in de Middeleeuwen, vestigden we de aandacht op de historiografie in de 14e eeuw in Italië c.q. de Renaissance en die van het Humanisme. Weliswaar zou het nog tot de 19e eeuw duren eer de vruchten van deze nieuwe stromingen in onze westerse beschaving hun invloed zouden gaan uitoefenen op de studie van de geschiedenis van het oude Israël en van het latere Jodendom, maar de aanzet voor het onderzoek in verwante disciplines waren gegeven. Men kreeg oog voor anachronistische elementen, kreeg belangstelling voor de talen en culturen uit de oudheid, en tenslotte ging men zoeken naar de causale verbanden in historische gebeurtenissen door middel van scherpzinnige redeneringen. In de 17e eeuw was er de toepassing van de literaire kritiek op de Pentateuch. Weliswaar waren in de 12e eeuw door de Joodse geleerde Ibn Ezra en anderen al vragen gerezen over Mozes’ auteurschap van de Pentateuch, maar in de 17e eeuw komt deze kwestie met hernieuwde belangstelling naar voren. In de 18e eeuw won het deïsme meer en meer terrein. De Bijbel werd onderworpen aan diepgaande onderzoekingen, waarbij de menselijke rede de drijfveer en de maat was, zodat wonderlijke, ongelooflijke en in strijd met de rede zijnde elementen in de bijbelse verhalen geëlimineerd werden. In de 19e eeuw komt dan het onderzoek naar de geschiedenis en de godsdienst van het oude Israël in de banen, waarin het zich heden ten dage, zij het met de nodige wijzigingen in opzet en uitwerkingen, nog beweegt. De kenmerkende ontwikkelingen van de 19e eeuw zijn: (a) de geest van het liberalisme, die bereid was met traditionele geloofsovertuigingen en benaderingen te breken; (b) de positieve (=positivistische) benadering van de historie; (c) de ontcijfering van het Akkadische spijkerschrift en het Egyptische hiërogliefenschrift; (d) het archeologische onderzoek van het Nabije Oosten en inzonderheid Palestina; (e) de datering en de beschrijving van de documenten, waaruit de Pentateuch is opgebouwd.

Mulder noemt ook enkele geleerden die hebben te maken met de geschiedenis van Israël: H.H. Milman, H.G. Ewald, J. Wellhausen, enz. uiteraard is Wellhausen heel bekend. Hij analyseert grondig en scherpzinnig de gangbare methoden van onderzoek van historische bronnen (JEDP), de historie van Israëls cultus de religie, waarvan hij neerslag vond in de bronnen van de Pentateuch. Uiteindelijk komt hij tot de conclusie dat de bronnen J en E een vóór-profetisch stadium van Israëls religie weergeven; dat in de 7e eeuw v. Chr. onder de invloed van de profeten het boek Deuteronomium ontstaat.

Een benaderingsmethode ten aanzien van Israëls geschiedenis die invloedrijke werken heeft voortgebracht, is de archeologische. Al in het werk van R. Kittel ging bekend archeologisch materiaal bij de beschrijving van de geschiedenis van het oude Israël een voorname rol spelen, evenals de cultuurgeschiedenis van de omringende volken. Bij Kittel speelde in zijn benaderingswijze een reactie op de literair-kritische methode van de Wellhausen-school ook mee. Kittel zag in de ontdekking van de El-Amarna tabletten (uit de 15e en 14e eeuw v. Chr.) een frontale aanval op Wellhausens opvatting dat Israël in zijn voorgeschiedenis in een primitief heidendom verstrikt was. Wat de verdere archeologische methode betreft vinden we in het werk van enkele archeologen: W.F. Albright, G.E. Wright en J. Bright. De methode van Albright rust vooral op twee veronderstellingen: (a) de tradities van het OT zijn betrouwbaar; (b) de archeologie verschaft de Bijbelse berichten extern materiaal, dat tegen literaire, filosofische of zelfs fundamentalistische hypotheses als proef op de som kan worden gebruikt.

De 3e benaderingswijze is de traditio-historische methode, die heeft te maken met Albrecht Alt, Martin Noth en Gerhard von Rad. Bij deze methode gaat men ervan uit dat er een lang proces van mondelinge traditie aan de schriftelijke fixering van cultische en andere verhalen is voorafgegaan. De overgeleverde stof moet onderscheiden, hoe het materiaal is opgebouwd en gevormd en in welke traditie, en het gaat om Sits im Leben.

De volgende is de sociologische of socio-economische methode. Max Weber is de man van deze methode. Mede noemt Mulder G.E. Mendenhall en N.K. Gottwald als aanhangers van deze methode. Deze methode beschrijft dat in de vroege geschiedenis van de Israël nomadische vormen van het leven binnen een Kanaänitisch getinte stedelijke cultuur zouden botsen, over boord gezet. De beschrijving van de godsdienst en zijn geschiedenis in de oude-Israël is een zuiver descriptieve en diachronische werkzaamheid. Van grote betekenis voor de onderzoekingen op het gebied van de Israëlitische religie was tegen de z.g. Religionsgeschichtliche Schule (H. Gunkel en ook H. Greßmann, W. Bousset e.a.)

Duidelijk is, volgens Mulder, dat de godsdienst van Israël zich niet geïsoleerd ontwikkeld heeft van de hem omringende godsdiensten. Maar het is ook niet voldoende om ter verklaring van een voorstelling zonder meer naar een buitenbijbelse parallel te zoeken.

Opmerking:

–          Studie-tekst van Bijbelse boeken, i.c. het OT, is onvoldoende om de objectieve geschiedenis en de godsdienstgeschiedenis van oud-Israël te bereiken. Daarbij moet de archeologische studie toegevoegd worden. Door de informatie van het OT, traceren we dit vervolgens in het archeologische gebied. Dat betekent dat het OT uiteraard een ‘opname’ van oud-Israël en zijn umwelt is.

–          De implicatie van deze studie, is te onderscheiden, na de verzameling, veelsoortige cultuspraktijk rondom de religie van oud-Israël, politiek en het sociaal-ethisch-theologische leven tot een zuiver en duidelijk beeld van het oudtestamentische Israël.

Archeologie en Oude Testament

E. Noort

De inhoud van het begrip archeologie is in de loop van de tijd aanmerkelijk verschoven.  In de oudheid (Flavius Josefus) wordt er de historie van een volk in zijn totaliteit mee bedoeld. In de nieuwere tijd (W.M.L. de Wette) scheidt het de begrippen archeologie en geschiedenis. Archeologie onderzoekt de toestand, de geschiedenis echter onderzoekt de ontwikkeling. In het huidige spraakgebruik wordt daarom archeologie vrijwel volledig geïdentificeerd met de gegevens die uit opgravingen tevoorschijn komen. Het zwaartepunt van H.J. Franken ligt dus bij het veldonderzoek, de grens ervan is geografisch, niet chronologisch.  E. Noort vindt dat twee grenzen van archeologie daarbij zichtbaar worden: een geografische (Palestina) en een chronologische (de bijbelse historie). Het beschrijven van de situatie en de structuur van een bepaalde regio als materiële achtergrond van de bijbelse teksten zijn het doel van deze bijbelse archeologie.

Noort beperkt zich tot de literaire bronnen die te maken hebben met een vraagstelling: de chronologische grens (tijd van de bijbel).  Dus het gaat om de teksten uit het 2e millennium die invloed hebben op latere verhoudingen in Palestina, en de teksten uit de na-bijbelse tijd want er is een visie die een vroege na-bijbelse tijd tegenover de bijbelse tijd weerspiegelt

Hoewel het wetenschappelijk niveau van de kennis van Palestina in de 19e eeuw snel steeg, vonden de eerste opgravingen plaats in een sfeer van ontdekkingsreizen, een schatgraverij. Bijvoorbeeld een expeditie van Lady Hester Stanhope in Askelon in 1810. Jammer dat zij de archeologische vondsten in de zee liet gooien. Naast Stanhope waren er ook andere schatgravers, F. de Saulcy, in 1851 en Charles Waren, de Engelse genie-officer, in de jaren 1867-1870. Maar de eerste fase (van het onderzoek) is begonnen met het werk van W.M. Flinders Petrie en J. Bliss op Tell el-in het zuidwesten van Palestina in 1890. Flinders Petrie stelde vast dat een ruïneheuvel in Palestina opgebouwd is uit een groot aantal woonlagen. Dit is, volgens hem, logisch want een stad werd gebouwd en na verloop van tijd verwoest en op de resten werd een nieuwe nederzetting gebouwd. Daarnaast bleef men meestal op dezelfde plaats door de aanwezigheid van een zo noodzakelijke waterbron. Met andere woorden: een ruïneheuvel bevat dus een aantal woonlagen, waarvan de oudste onder en de jongste boven ligt. Hij ontdekte ook dat bij verschillende woonlagen verschillende soorten aardwerk hoorden. Het onderzoek naar de woonlagen werd verbreed door samenwerking van de archeoloog A. Reisner met de architect C.S. Fisher bij de opgravingen in Samaria van 1908-1910. Hun interesse was de samenhang tussen de gevonden objecten en de architectuur om zodoende één culturele laag (stratum) te kunnen beschrijven. Dit is de 3e fase.

Maar men moet rekening houden met de horizontale werkmethode (aanpak). Want door de natuurlijke oorzaken, aardbevingen, modder, de afbraak van een tell door erosie, enz., kunnen grote verschuivingen optreden. Daarnaast, als deze methodische eis wordt gevolgd, dan zal bij de opgraving niet alleen het archeologisch object (artefacten, architectuur, enz.), ook niet alleen de relatie van de objecten tot elkaar worden beschreven, maar tevens de objecten in hun situatie (zie ook de aanpak van H. J. Franken om de beschrijving van de stratificatie (gelaagdheid).

De ontwikkeling van het aardwerk in een meer verticale zin werd beschreven door de opgravingen van W.F. Albright in Tell Bet Mirsim in de jaren 1926-1932. Uiteraard zijn er meerdere opgravingen, maar die konden geen winst boeken bij de vooruitgang van de methode. Bijvoorbeeld door: R.A.S Macalister in Gezer (1902-1905 en 1907-1909), E. Selling in Taänach (1901-1903), G. Schumacher in Megiddo (1903-1905), E. Sellin en C. Watzinger in Jericho (1907-1909), E. Sellin in Sichem (vanaf 1913). De 4e fase brak aan met het werk van K.M. Kenyon in Jericho (1952-1958) en in Jeruzalem (1961-1967) met een verdere ontwikkeling door H.J. Franken bij de opgravingen in Deir Alla. K.M. Kenyon paste in Palestina technieken toe die in het Europese onderzoek van de prehistorie hun nut hadden bewezen. Alle aandacht was daarbij gericht op de stratigrafie, de gelaagdheid van de tell. Vanaf de zestiger jaren (in de 20ste eeuw) beschikt de archeologie van Palestina over een methodisch apparaat, dat aan wetenschappelijke standaardeisen voldoet.

Het aardwerk werd geclassificeerd op basis van vorm en versiering. Daarbij werden de optredende variaties in een typologische serie chronologisch geordend. Maar de typologie kijkt, volgens Noort, alleen maar naar het eindproduct. Zelfs welke factoren bijdragen tot het ontstaan van de pot blijven buiten het gezichtsveld.

Om de datering te fixeren, gebruiken archeologen meestal C-14. Maar daarnaast worden ook andere methodes gebruikt. Die methodes, nl. de dendrochronologie, archeomagnetische en de thermoluminiscentiedatering, zijn een aanvulling en correctie van C-14.

Bij de bepaling van de verhouding tussen Bijbelse archeologie en  het OT  mag deze tweevoudige indirectheid niet uit het oog worden verloren: (1) de eigen aard/karakter van het overleveringskarakter van het OT; (2) de eigen aard van de teksten die ook binnen geschiedenisconcepties primair kerygmatisch zijn. Wanneer wij ook in de geschiedenisconcepties van het OT met een belijdenis geconfronteerd worden, dan is de verleiding groot het principiële verschil tussen de soorten uitspraken over het hoofd te zien en de onzekerheid en het onbeschutte van de belijdenis weg te werken met de z.g. objectieve bewijsvoering van de archeologie. Uit de beschrijving van de archeologische bronnen en methodes werd al duidelijk dat wij niet over archeologische feiten beschikken, maar altijd over geïnterpreteerde feiten. Vanuit het OT moet de bovengenoemde tweevoudige indirectheid daarbij gevoegd worden. Wanneer nu toch naar de bijdrage van de archeologie voor de beschrijving van de geschiedenis van Israël gevraagd wordt, dan moet als methodische eis gesteld worden dat alleen een vruchtbare samenwerking verwacht kan worden wanneer de oudtestamentische teksten eerst geanalyseerd worden volgens de synchrone en diachrone methoden. Het OT is afhankelijk van de oud oosterse literatuur omdat er een gemeenschappelijke traditie is, maar juist in overname en afweer blijkt het OT eigen accenten te zetten en oude mythologische gegevens aan te passen aan de eigen verkondigingsstructuur. In de veldarcheologie kwam dezelfde denkwijze naar voren toen men met opgravingen Bijbelse waarheid wilde bewijzen.

Opmerking:

–          Het Oude Testament is een raamwerk van de Bijbelse archeologie. Daarmee kan ik zeggen dat het OT een informatiebron is en ook een eindbestemming van de zogenaamde Bijbelse archeologie.

–          Maar de spanning tussen deze twee is gelegd in de extreme (of: radicale!) beoordeling van archeologische vondsten, terwijl de ‘Bijbel’ hard verdedigd wordt.

Tekstkritiek en tekstoverlevering van het OT

A. van der Kooij

Tekstkritiek is een kritische toetsing van een tekst als codex ‘L’ in het kader van de overlevering van de tekst van het OT. Wat is de belangrijkste reden van de tekstkritiek? Volgens van der Kooij is dit het nagaan of, en in welke mate, de overgeleverde tekst in al die eeuwen betrouwbaar is overgeleverd. Verdere redenen voor een kritische toetsing van de tekst hebben te maken met moeilijkheden en onduidelijkheden in de overgeleverde tekst, tekstverschillen tussen parallelle gedeelten  (b.v. 2 Sam. 23 en Ps. 18), en afwijkende tekstvarianten in andere Hebreeuwse Bijbelteksten en/of in de oude vertalingen van het OT. Ook moet rekening gehouden worden met fouten als gevolg van vergissingen bij het kopiëren van de tekst, of als gevolg van opzettelijke wijzigingen (zie verder in blz. 98). Met dit alles is het belang van de tekstkritiek in feite al aangegeven. Dit is gelegen in het streven naar een betrouwbare tekst van het OT als uitgangspunt voor vertalingen en voor de uitleg van dit deel van de Bijbel.

Wat de tekst betreft noemt van der Kooij twee modelcodices uit de 9e– 12e eeuw: (1) codex L (Leningradensis), de basis van de BHS; (2) codex A (Aleppo). Deze codex heeft te maken met het project van de Hebreeuwse Universiteit te Jeruzalem. Beide zijn het product van Joodse geleerden, die met grote nauwkeurigheid deze teksten hebben vervaardigd. Men spreekt in dit verband van de masoretische tekst, aangezien de tekst van deze codices het werk is van masoreten, Joodse geleerden die zich met de tekstoverlevering bezighielden (van masar, ‘overleveren’). M.b.t van codex A, moet hier de familie van Ben Asjer genoemd worden.

In BHS wordt de indeling van perikopen (parasa) afgelezen aan de petucha (geopend=sterke cesuur) en setuma (gesloten=een zwake cesuur) tussen tekstgedeelten. Het vocalisatiesysteem van beide codices zijn het Tiberiënsisiche. Masora parva (mp) en masora magna (mg) zijn notities die opmerkingen bevatten bij allerlei bijzonderheden van de tekst, zoals opvallende vormen van spelling of opvallende grammaticale vormen. Voor de tekstkritiek zijn vooral notities bij verschillen tussen de consonantentekst (ketib: geschrevene, en qere: gelezene).

Het tekstkritische onderzoek begon in de 17e eeuw. Het gaat om een dispuut over de vraag of de vocalen bij de tekst van meet af aan deel uitmaakten van de Bijbelteksten of pas veel later waren toegevoegd. Twee namen die bekend zijn: J. Buxtorf (1564-1629) en L. Cappel (1585-1658). De vraag van Buxtor is of de consonantentekst wel zonder meer betrouwbaar is. Want er zijn immers verschillen tussen allerlei handschriften en bovendien bieden de Samaritaanse tekst van de Pentateuch en de oude vertalingen c.q. de Vulgaat en de Septuaginta.

Van de 18e eeuw zijn er ook twee belangrijke geleerden, nl. Benjamin Kennicott (1718-1783) en Giovanni Bernardo de Rossi (1742-1831). Het resultaat van hun werk was dat een indrukwekkend aantal varianten bekend werd. Hun werk kreeg natuurlijk de reactie van J.D. Michaelis, J.G. Eichhorn en E.F.C. Rosenmüller. Het tekstkritische onderzoek richtte zich vooral op een kritische toetsing van de Hebreeuwse Bijbeltekst, met daarbij als bronnen van alternatieve en mogelijk betere lezingen de oude tekstgetuigenissen, zowel de Samaritaanse Pentateuch, als de oude vertalingen, de Septuaginta voorop.

In verband met (de termen van) de geschiedenis van de overlevering van de tekst blijkt de kritieke periode vooral die van de eeuwen vóór 100 na Chr. te zijn. Daardoor stelt P. de Lagarde (1827-1891) dat alle handschriften op één tekstvorm teruggaan: de Palestijnse tekst uit de 2e eeuw n. Chr. samen met de Egyptische tekst (de Heb. Tekst achter de LXX) zou deze tekst op de ene oertekst teruggaan. P.E. Kahle (1875-1964) komt met een geheel andere visie op de tekstgeschiedenis: uit de verschillende teksttradities concludeert hij tot een veelvoud van teksten in het begin van de tekstgeschiedenis. De periode na 1947 was er een nieuwe fase van het tekstkritisch onderzoek vanwege de vondsten van Qumran. Dit nieuwe materiaal (ca. de 3e v. Chr. tot de 2e eeuw na Chr.) blaast het onderzoek nieuw leven in een leidt tot nieuwe theorieën.

Het uitgangspunt en het doel horen bij elkaar. Daarmee bedoeld van der Kooij dat de MT het uitgangspunt van de tekstkritische studie is; Het doel is d.m.v. kritische toetsing van deze tekst duidelijkheid te krijgen aangaande de oorspronkelijke tekst van de Bijbelboeken.

Wat tekstgetuigen betreft noemt van der Kooij twee opvallende periodes die uit verschillende teksten bestaan, nl: (a) de periode van 300 v. Chr. tot 100 n. Chr. Hier zijn vijf teksten: (1) de Hebreeuwse tekst (fragmenten van bijna alle Bijbelboeken uit de grotten van Qumran; vooral de complete Jesaja-rol; fragmenten uit Masada); (2) [ook het Hebreeuws] de Samaritaanse Pentateuch (d.w.z. de Bijbel v.d. Samaritaanse gemeente in Sichem); (3) Grieks: de LXX; (4) Grieks: de vertaling van Theodotion (fragmentarisch). Dit is eigenlijk geen (geheel) nieuwe vertaling, maar is in feite een bewerking (recensie) van de LXX; het kenmerk is de weergave kaige voor het Heb. gam (ook); vandaar ook de benaming kaige-recensie. (5) Aramees: fragmenten van een Arameese vertaling van het boek Job, Qumran; 2e eeuw v. Chr. (b) de periode van 100 tot 700 na Chr.

Hierin staan zes teksten: (1) het Hebreeuws: de incomplete 12 profetenrol, gevonden in de Wadi Murabbáat, begin 2e eeuw. (2) Grieks: de vertaling van Aquila (fragmentarisch). Het kenmerk is een verregaande letterlijkheid. Dit is bedoeld als verbetering van de tekst van Theodotion. (3) Grieks: de vertaling van Symmachus (fragmentarisch). Symmachus is een Joods schrijfgeleerde met een Samaritaanse achtergrond. (4) Aramees: de targoem c.q. Pentateuch: Tar. Onkelos, Neofiti 1, Pseudo-Jonathan (uit de periode 2e tot 62 eeuw); Profeten: targoem Jonathan; Geschriften: targoem op Job, Kronieken, Psalmen, Ester, Ruth, Klaagliederen, Prediker en op Hooglied.  (5) Syrisch: de Pesjitta (betekent: de eenvoudige, als tegenstelling tot de meervoudige Syro-Hexapla). Deze vertaling gedateerd uit de 2e eeuw na Chr. (6) Latijn: de Vulgaat (heeft te maken met Hiëronymus, de kerkvader).

Met de MT als uitgangspunt gaat het bij de tekstkritiek globaal om twee stappen: (1) het verzamelen van de gegevens vanuit tekstgetuigen, en de weging van deze gegevens; (2) toetsing van de MT in het licht van deze gegevens.

Opmerking:

–          De zogenaamde ‘centrifugale’ aanpak van de textus receptus is volgens mij een belangrijke fase om de tekst zelf te onderzoeken en beoordelen. Dit is ook tegelijk een (nauwe) afbakening voor deze studie. Alle gegevens, wegingen, etc., worden verzameld door MT. Na deze fase kan men naar de andere fase: de ‘centripetale’ toe. Dat betekent dat de andere tekstgetuigen hiervoor geparticipeerd kunnen worden om een overweging te geven. Want in ieder geval behoren ze (de tekstgetuigen, zelfs: de MT!) niet tot de oorspronkelijke tekst.

De Literairkritische methode

C.J. Labuschagne

Aan het begin van zijn uitleg, maakt Labuschagne duidelijk het verschil tussen literaire kritiek (lower criticism) en de literair-kritische methode (higher criticism). Literaire kritiek is wat te maken heeft met het onderzoek naar de omvang, de samenstelling, de vormgeving, de opbouw en de structuur van een tekst of geschrift. En de literair-kritische methode is de wijze waarop deze analyse wordt verricht en het doel dat wordt nagestreefd, ten einde de lezer inzicht in de tekst te verschaffen om dit beter te begrijpen. De primaire taak van de literaire kritiek is de literaire analyse van de tekst, niet het historisch onderzoek (Literargeschichte=onderzoek naar zijn wordingsgeschiedenis) naar zijn ontstaansgeschiedenis. Het is duidelijk dat het verrichten van historisch onderzoek niet de taak van de literaire kritiek is. Dergelijk onderzoek kan beter worden ondergebracht bij Redaktionsgeschichte onder Traditiongeschichte. Want beide aspecten van het historisch onderzoek naar het gecompliceerde groeiproces van de Bijbelse geschriften bestaan vanaf het ontstaan totdat zij hun huidige gestalte hebben gekregen. Er wordt van hen met literaire kritiek bezig zijn, met de geschiedenis van de tekst, volgens Labuschagne, gaandeweg meer aandacht opgeëist voor de voorstadia van de tekst dan voor de tekst zelf (in zijn Endgestalt). Daardoor is bij velen de literaire kritiek in discredit geraakt en wordt de historisch-kritische bijbelwetenschap in brede kring in een kwade reuk ?? gebracht: ze voert de lezer weg van de tekst i.p.v. naar de tekst toe. Met andere woorden: men beoefent literaire kritiek niet om de literatuur, maar om haar geschiedenis te begrijpen. Uit de geschiedenis van de literaire kritiek weten we dat het aan de wieg van de historisch-kritische bijbelwetenschap stond. We kunnen dit zien in het werk van Jean Astruc, Hennig Witter en Richard Simon (18e eeuw), toen ze de Pentateuch (stijlverschillen, het gebruik van de Godsnaam YHWH en Godsaanduiding Elohim) aan literair onderzoek onderwierpen vanuit een historische interesse: hoe is dit complexe geschrift ontstaan?

De literaire kritiek werd niet in de eerste plaats gebruikt om de literaire vormgeving en de structuur van de Bijbelse geschriften te begrijpen, maar veeleer diende deze ter beantwoording van de historisch gerichte vraag: hoe zijn deze geschriften ontstaan? Of, beter gezegd: met beoefende literaire kritiek, niet om de literatuur, maar om haar geschiedenis te begrijpen.

Na de tijd van Wellhausen, werkte men nog steeds met dezelfde criteria voor de analyse van de tekst, nl. spanningen in de tekst als gevolg van oneffenheden in de gedachtengang, storende herhalingen en tegenstrijdigheden, verschillen in het taalgebruik en theologische noties. Speciaal in de Pentateuch de merkwaardige wisseling bij het gebruik van de Godsnaam YHWH en de Godsaanduiding Elohim.

De tekst wordt in ieder geval geanalyseerd, d.w.z. geatomiseerd in diverse bestanddelen, maar aan de beantwoording van de vraag hoe de diverse bestanddelen integraal in de eindtekst functioneren, was men nog niet toegekomen. Het ontstaan van de gattungskritiek (= de vormkritiek, door Herman Gunkel) heeft uiteraard geleid naar de tekst zelf. Maar deze methode bracht niet de verwachte fundamentele kritiek op de literair-kritische methode. De literaire kritiek gaat op dezelfde voet verder, terwijl de gattungskritiek zich als een methode ernaast ontwikkelde. Door de historische ontwikkeling gingen, volgens Labuschagne, deze twee methoden zich verzelfstandigen. Opvallend is dat als gevolg van de gattungskritiek weldra andere methoden volgen, nl. de traditiokritische en de redactiekritische methode, die echter geen van beide met fundamentele kritiek op de literair-kritische methode kwam. Ook in de laatste kwart eeuw zijn er weer twee andere methoden bijgekomen, de structuur-analytische- en retorisch-kritische methoden, waaronder de Amsterdamse school, die substantiële en vaak fundamentele kritiek zou gaan leveren op de literaire kritiek zoals deze in de traditionele literair-kritische methode tot nu toe functioneerde. De fundamentele kritiek, die door Claus Schedl gelanceerd wordt dat de Bijbelse geschriften getalscompositie zijn, stelt dat men bij het onderzoek van teksten de blikrichting moet veranderen: niet voorstadia van de tekst maar de huidige tekst zoals hij aan ons is overgeleverd, moet object van het onderzoek zijn. De sleutel tot het begrijpen van een tekst is niet gelegen in zijn wordingsgeschiedenis, maar moet in de tekst zelf te vinden zijn. Waarom? Omdat deze teksten getalscomposities zijn. Men moet proberen te beginnen met een numerieke structuur aan te brengen. Maar men moet er rekening mee houden dat deze fundamentele kritiek het gebrek aan respect in de literaire kritiek is op de wijze waarop de tekst in de overgeleverde tradities is ingedeeld. Bijvoorbeeld in de codex L., die d.m.v. de welbekende, maar vaak genegeerde spaties in de tekst (petuha en setuma) zijn afgebakend. De doelstelling van de literaire kritiek kan alleen zijn er achter te komen hoe de tekst precies in elkaar zit. M.a.w.: het doel moet zijn om precies te laten zien hoe een tekst is gecomponeerd, d.w.z. men moet zijn aandacht richten op de tekst in zijn Endgestalt (huidige vorm). Volgens Labuschagne zijn de twee belangrijke taken die behoren tot het takenpakket van de literaire kritiek in  geschiedenis van de bijbelwetenschap gegroeid, nl.: (1) de afbakening van teksteenheden; (2) de vaststelling van de eenheid van de teksten. Deze tweede taak heeft dus te maken met de criteria van een bronnenscheiding: de wisseling (bv. Godsaanduiding), de herhalingen, de spanning, etc. De rest van zijn uitleg, blz. 114-125, is een oefening van de methode literaire kritiek en vooral de (numerieke) structuur-analytische of logotechnische methode. Deze analyse vestigt nadrukkelijk de aandacht op de eindtekst en laat zien hoe deze precies in elkaar zit. Bovendien brengt zij aan het licht dat de eindtekst niet maar het gestolde eindproduct is van een ongecoördineerd groeiproces of een conglomeraat van samengevoegde bronnen.

Opmerking

–          Deze aanpak legt de nadruk op de huidige tekst (of: synchronisch). Dat is niet anders dan respect voor die tekst. Met een numerieke structuuranalyse probeert een gewende exegeet kritisch te bekijken naar de rol van een klein element van Tabula Accentuum, bijvoorbeeld: een atnah.

–          Wat volgens mij moeilijk is, is dat deze aanpak mathematisch de tekst behandelt. Dus de betekenis hangt af (of: is afhankelijk) van het getal.

De Structuuranalytische methoden

J.A. Loader

Om de structuuranalytische methode te bespreken, legt Loader de nadruk op een tendens van een bepaalde school, richting of methode (zie Labuschagne, blz. 109). De betreffende tendens is hierin gelegen dat uitleggers meer belangstelling begonnen te tonen voor de compositie, de bouw en de interne relaties van teksten dan voor hun oorsprong en groei. Een gemeenschappelijk element van de structuuranalytische methode heeft daardoor nieuwe belangstelling gekregen voor het literaire werk als zodanig. Meer dan voor wat achter dit werk ligt of daartoe aanleiding gegeven heeft. Daarmee bedoelt hij dat de structuur de relatie tussen allerlei elementen in de tekst is. Daardoor is de structuur van een literaire tekst de vorm of opbouw van zijn onderdelen. Deze kan klanken, woorden, zinnen, inhoudelijke momenten en thema’s impliceren of zelfs de formele relatie tussen bepaalde typische functies bevatten.

Loader introduceert drie andere manieren om de Bijbelse tekst te lezen, voordat hij de structuuranalytische methode behandelt, nl.: (1) men wil vaststellen waarnaar de tekst verwijst (=d.i. referentiële lezing), maar ook (2) wat de auteur daarmee bedoelt (=intentionele aspect). En (3) men kan de tekst ook uit zichzelf willen begrijpen (=immanente lezing óf esthetische of poëtische lezing). De derde lezing behandelt de tekst als eenheid, zonder dat aandacht geschonken wordt aan buitenliteraire verwijzingen of de bedoeling van de auteur. Hierbij wordt de tekst benaderd als een systeem van elementen die in relatie tot elkaar staan, dus als een netwerk van elementen die niet naar iets specifieks buiten de tekst verwijzen, maar die binnen de tekst naar elkaar verwijzen (intratextuele verwijzing genoemd). Daarvoor moet, volgens Loader, de lezer gebruik maken van een van de structuuranalytische methoden. Achter deze methode zijn een paar gedachten van filosofen, bv. Edmund Husserl (1859-1938), die bekend is om zijn fenomenologische methode. Wilhelm Dilthey (1833-1911). Zijn mening is dat alles draait om de Gestalt [vorm en structuur]. Ferdinand de Saussure (1857-1913). Hij maakte onderscheid tussen synchronisch en diachronisch. Hij legde de klemtoon op het verschijnsel structuur. Als iets betekenis heeft, heeft de structuur geen enkele taaluiting. Het heeft geen zin als de tekst niet gestructureerd is, want dan zou taal een chaotische mengelmoes zijn.

Bovendien kwam een andere structuuranalytische impuls van Roman Jakobson (1896-1982) en Vladimir Propp (1895-1970). In elk verhaal/’sprookje’ probeert Propp de elementaire bestanddelen en hun onderlinge verhouding te zoeken. Dit noemt hij ‘functies’ want hij heeft belangstelling voor de fundamentele rol die beide spelen.

Geheel anders is de methode van A.J. Greimas. Hij kan beschouwd worden als een Frans structuralist. Zijn bekendste aspect van het structuralisme is het actante-model (auteurs model). Hij stelt voor dat wij onze aandacht niet zozeer moeten richten op de oppervlaktestructuur van een verhaal en ook niet op wat taalkundigen de dieptestructuur noemen. Volgens Greimas komen in alle verhalen gebeurtenissen of processen en acteurs voor. De acteurs kunnen dingen of een groep mensen zijn, die een rol spelen. Daarover noemt hij niet meer dan zes actanten (in een verhaal): zender, object, ontvanger, protagonist, antagonist en helper.

De methode van Roland Barthes is ook anders. Hij is veeleer geïnteresseerd in de typische denkstructuren die in de literaire producten tot uiting komen. Andere structuuranalytische methoden hebben te maken met de z.g. Amsterdamse school. Dit wordt ook door Loader gerubriceerd, nl.: 1) Meir Weiss. Zijn onderzoek richt zich op het linguïstische karakter van een tekst want dat is de stijl. 2) Luis Alonso-Schökel. Evenals Weiss legt Alonso-Schökel nadruk op het belang van taal voor het stijlonderzoek. 3) Nic. H. Ridderbos. Hij maakt een soortgelijke analyse van de Psalmen en wijst op klankpatronen en andere stilistische figuren naast de opbouw van de Psalmen. Zo vindt hij het kruispatroon of chiasme (ABBA). 4) Wolfgang Richter. Hij werkt doorgaans met het onderscheid tussen synchronie en diachronie. Hij maakt uitvoerig gebruik van linguïstische gegevens zoals syntaxis en woordgroeperingen en lexicale gegevens. 5) Robert C. Culley. Hij vraagt naar de narratieve structuur van de verhalende stof. Daaronder verstaat hij niet de taalkundige en stilistische patronen, maar de inhoudelijke patronen, bv. Probleemsituatie-bekendmaking aan een potentiële helper-actie door de helper-wonderbare oplossing.

De benadering van Child legt vooral de nadruk op de canon, dit is problematisch tussen christendom en Jodendom.

Opmerking:

–          Mijn aandacht is dat bij de structuuranalyse van Vladimir Propp en A.J. Greimas, die bekend zijn als dieptestructuur. Ik denk, dat deze aanpak een stap verder van de zogenaamde oppervlaktestructuur ligt. Propp/Greimas’ dieptestructuur opzoekt dus de structuur van het verhaal. Want een verhaal presenteert meestal een stadium van de rol van figuren (of: actanten).

–          Maar de vraag is: waar ligt de betekenis? Bij alle (actante) figuren, die een verschillende rol spelen óf bij de auteurs? Spelen alle figuren een echte rol of alleen een projectie van een echt verhaal?

De vormkritische methode

A. Schoors

De man die een grote rol speelt in deze methode is Herman Gunkel. De vormkritische methode beoogt de kritische studie van de literaire genres in de Bijbelse literatuur. De bedoeling is dus duidelijk: de tekst zelf zo nauwkeurig mogelijk begrijpen. Maar er wordt gewaarschuwd dat de tekst, die men graag wil behandelen in de exegese, steeds tot een bepaald genre behoord. Daardoor moet men zich bewust zijn van het genre. De keuze van een genre heeft een radicale weerslag op het literaire werk en dat een grote rol speelt in de exegese.

Wat een genre is kan men beter omschrijven dan definiëren. Zo doet Gunkel in zijn omschrijving (citaat van Schoors): ‘waar we kunnen vaststellen dat bepaalde gedachten in een bepaalde vorm bij een bepaalde gelegenheid werden uitgesproken, daar spreken we terecht van een genre (gattung)’. Waar men teksten aantreft die tot een eenzelfde genre behoren, zijn zij dus inhoudelijk verwant. Een genre wordt uiteraard gekenmerkt door een eigen vorm of taalgebruik: dat is de meer uitwendige kant van het genre. Men begrijpt zinswendingen, beeldspraak, technische termen en formules, maar vooral een eigen structuur, die men in een schema kan weergeven. Een genre, bv. een profetisch orakel of een danklied, heeft een eigen typische inleiding en slot.

Welk factor speelt een grote rol in de verscheidenheid van genres? Volgens Schoors ligt dat in de verscheidenheid van levensomstandigheden waarin de spreker of de schrijver zich bevindt. Dat betekent dus dat ieder genre beantwoordt aan een eigen type van levenssituatie (Sitsz im Leben), waaruit zijn tendens en zijn uitdrukkingsvormen voortkomen. Meestal is het niet zo dat aan één Sitz slechts één genre beantwoordt. Men moet vooral trachten elke Sitz zo precies mogelijk te omschrijven. E. Gerstenberger benadrukt dat men de betekenis van de tekst in zijn context kan bediscussiëren nadat hij/zij het type (genre) van een teksteenheid heeft bepaald. Daarom is het een belangrijke, voorlopige opdracht van de vormcritius de oorspronkelijke kleinere eenheden duidelijk af te grenzen. Schoors beschouwde dat de vormkritiek thans onbetwistbaar een hoofdtaak is van de exegese. Het is dus een groot voordeel dat ze de teksten doet aansluiten bij hun milieu.

Hoewel een paar formules nog niet legitiem zijn, die dankzij de latere traditie toegevoegd zouden kunnen worden, vond Schoors dat bepaalde oudtestamentische genres definitieve criteria werden. Bijvoorbeeld in de profetenboeken markeert Zo spreekt YHWH meestal het begin, spreekt YHWH of godsspraak van YHWH het einde van een orakel. ‘Wee…’ is de inzet van een aanklacht en strafaankondiging. In de lyrische teksten zijn de hymnen dikwijls te herkennen aan de inleiding ‘Jubelt’, ‘Zingt’ of iets dergelijks.

Het literaire genre is zelf een norm voor afbakening van eenheden. En voor de afbakening van eenheden kan de logische samenhang een belangrijk criterium zijn. Alles samen kan men dus van een Gattungsstil of ‘stijl eigen aan het genre’ spreken, waarmee men het geheel van de juist genoemde vormkenmerken bedoelt, en die karakteristiek zijn voor een genre of een groep van genres.

Een laatste en zeer belangrijk criterium is de structuur van een eenheid. Daarin gaan vorm en inhoud ook weer samen, want de uitwendige structuur van de tekst weerspiegelt een geleding in de inhoud. Gunkel behandelt, volgens Schoors, dit onderwerp onder de benaming motive. Daarmee bedoelt hij de kleinere bestanddelen waaruit elk afzonderlijk gedicht bestaat. De structuur is natuurlijk niet in alle genres even sterk.

De genres komen dan los van hun oorspronkelijke Sitz in Leben te staan. Door de geniale vondst van Gunkel laat hij ons de verbinding tussen genre en Sitz in Leben zien. Wij moeten opletten dat men geen enkel Bijbels genre afdoende kan begrijpen zonder aandacht voor zijn levenssituatie te hebben; in tegendeel men kan geen enkel levensdomein van het oude Israël uitputtend beschrijven zonder de bijbehorende genres grondig in aanmerking te nemen. Aan de levenssituatie werd veel aandacht besteed door S. Mowinckel in zijn zesdelige Psalmenstudien. Sindsdien behandelen nieuwe belangrijke studies de Sitz in Leben van de psalmen, de profeten, de wetten en allerlei verhalende genres. Op dit domein hebben uiteraard de cultuurgeschiedenis en de archeologie van Israël en de verwante culturen een belangrijke bijdrage geleverd. De Sitz in Leben behelst de vraag naar de spreker of schrijver, zijn plaats in de Israëlitische maatschappij, zijn bedoeling, zijn publiek en vooral het type gebeurtenis waarbij hij optreedt.

De Sitz in Leben is dus een belangrijke maatstaf, doordat men een genre niet voldoende kan definiëren zonder een goed omschreven situatie ervoor aan te geven.

Opmerking:

–          De ziel van deze aanpak is het genre (Gattung). Naast het genre is er ook een belangrijk element, nl. Sitz im Leben. Met andere woorden: het genre en Sitz im Leben horen bij elkaar.

–          De vormkritiek is bezig met ‘kleine onderdelen’,  een ‘historische uiting’, de serieuze afhankelijkheid van de oosterse bronnen, b.v.: Mesopotamisch- of Egyptische bronnen, en uiteindelijk een stijl als vaste vorm van de tekst.

–          Een exegeet die graag deze methode wil beoefenen, zal het feit aanvaarden dat de buitenbijbelse bronnen een grote scheidsrechter zijn voor de validiteit van de Bijbel.

De overleverings- en traditie kritische methode

F. Deist

In Nederlandse vakliteratuur wordt historisch-kritisch vaak synoniem met literair kritisch gebruikt. Aan de ene kant wordt de traditiegeschiedenis (Traditiongeschichte) begrepen als het gehele proces van de historische exegese (Engnell), een synoniem voor overleveringsgeschiedenis (Von Rad), een bepaalde stap in de historische exegese, die wordt onderscheiden van overleveringsgeschiedenis (Barth-Steck, contra Von Rad). Maar aan de andere kant wordt de term overleveringsgeschiedenis (Überlieferungsgeschichte) gebruikt om te verwijzen naar de wordingsgeschiedenis (Noth; Ringgren), naar het onderzoek van de mondelingen overlevering voorafgaande aan een schriftelijk vastgelegde tekst (Richter). De bovenstaande spraakverwarring is waarschijnlijk gelegen in de geschiedenis van de traditiegeschiedenis c.q. Overleveringsgeschiedenis, als exegetische methode. Martin Noth en Gerhard von Rad zijn dus bekende mannen hiervoor.

Het inzicht dat bepaalde delen van het OT mondeling zijn overgeleverd, is al in vroeg-reformatorische tijd opgemerkt (vgl. Calvijn, Institutie IV, iii, 5-8). Eichhorn, Hartmann en Klosterman hebben later herhaaldelijk verwezen naar de mondelinge overlevering als voorfase van de tekst die wij bezitten. Zo ook Wellhausen en uiteraard, de vaders van de Formgeschichte, Gunkel en Gressmann. Zelfs Noth (is bekend met de term überlieferungsheschichtlich) en Von Rad (bekend met de term traditiosgeschichtlich) verwijzen naar de samengroei van verschillende tradities, die uiteindelijk worden benut door de auteurs om verhalen te schrijven. Met andere woorden: Wellhausen, Gunkel, Gressmann, Noth, Von Rad onderzoeken wat aan de bronnen voorafging. Opvallend is dat niet alleen Duitse geleerden bezig zijn met de kwestie van mondelinge overlevering, maar ook Baltimore-school (Albright, Wright, Bright). Het aandachtspunt is het verschil. De Duitse geleerden richtten zich op Israëlitische literatuurgeschiedenis en bij Baltimore-school ging het veeleer om de geschiedenis van Israël en de betrouwbaarheid van de gegevens die door de Hebreeuwse tekst geboden wordt. Henrik Nyberg, een Scandinavische, stelde een theorie voor dat de Hebreeuwse tekst van het OT tot in MT tijd mondeling werd overgeleverd en dat zelfs tekstkritiek als een tamelijk onbelangrijke zaak beschouwd moest worden.

Traditiegeschiedenis is volgens Engnell een onderzoek van vóór-schriftelijke overleveringen, maar dan wel enkel naar exegese van de bestudering van de samenleving van de huidige tekst. Traditiekritiek kan zo slaan op de analyse van een tekst zoals die voor ons ligt, waarbij gelet wordt op het gebruik van formule-achtige taal en het voorkomen van ingeburgerde ideeën.

Ten einde een tekst traditiekritisch te analyseren, moet de exegeet consequent concordantie-werk verrichten. Elke woordcombinatie moet in de concordantie worden nagekeken om vast te stellen of zij ook elders in het OT voorkomen. De waarde van tekstkritiek en traditiehistorische arbeid voor de exegese en voor de OT-ische wetenschap in het algemeen is evident. Volgens Deist helpen Traditiekritiek en –geschiedenis ons het decor van een tekst uit de verf laten komen.

Van belang is ook om te onthouden dat een perikoop niet noodzakelijk een of andere traditie behoeft te bevatten. Evenals in het geval van de overleveringskritiek en –geschiedenis, is er op het terrein van de traditievorming en het opsporen van tradities en hun ontwikkeling nog veel onderzoek te verrichten.

Opmerking:

–          In deze aanpak speelt de mondelinge traditie een belangrijke rol, vooral bij de profetische boeken. Mij lijkt dat een exegeet deze kwestie nog steeds onderzoekt om het ontstaan van de tekst te ontdekken. In de stap van exegetische methode kan men dit niet ontwijken [en negeren]. Hoewel het moeilijk is om een proces van de mondelinge traditie tot het ontstaan van de tekst te bewijzen.

–          Ik denk dat een exegeet niet bezig is met de betekenis van de tekst maar met het historische ontstaan.

De redactiekritische methode

W.A.M. Beuken

Buber en Rosenzweig vervangen: “R” van R-edactor met “Rabbenu”. Misschien doen zij dat omdat in de exegese van de laatste decennia de waardering voor de redacteur inderdaad gestegen is. Het is te begrijpen dat de redactiekritiek er ongetwijfeld rekening mee houdt dat de stof die wij in de Schrift aantreffen, van verschillende historische herkomst is (literaire kritiek), maar ook en bovenal gaat zij ervan uit dat dit materiaal van zeer uiteenlopende literaire aard is: verhalen, gedragsregels, spreuken, vloeken, liederen, enz. Of beter gezegd; het gaat om: vormkritiek. Zelfs als al dit materiaal uit één pen zou zijn voortgekomen, wat men alleen op fundamentalistische grondslag kan verdedigen, dan nog is er methodisch ruimte voor de vraag: welke literaire procedures en theologische gezichtspunten waren werkzaam, toen dit materiaal op deze wijze tot kleine collecties en tot hele boeken werd samengevoegd? De redacteur heeft alle materiaal hij beschikte verwerkt in steeds grotere verbanden, die zich geleidelijk ophogen tot één harmonisch monument. Met andere woorden: uit zijn hand ontvangen wij hele boeken! Let op: wij kunnen het moderne begrip redactie niet toepassen op de culturele situatie waarin de Schrift ontstaan is. De schrijver van Bijbelse boeken zal zowel schriftelijke als mondelinge stof ter beschikking gehad hebben. Hij heeft zich bovendien vrij gevoeld om materiaal af te stemmen op de thema’s die hem dierbaar waren (zie b.v. het verhaal over de torenbouw van Babel).

Het begrip redacteur heeft in de oudtestamentische wetenschap opgang gemaakt door het onderzoek van de Pentateuch, d.w.z. wie was verantwoordelijk voor de integratie van de verschillende bronnen en van welke theologische opzet ging hij daarbij uit? Dergelijk begrip is bijvoorbeeld ook toegepast op de beschouwende historische boeken c.q. Deuteronomist (Deuteronomium-1-2 Koningen). Daarnaast betreft het begrip ook de ontwerpers van kleinere verhaalcycli.

De kwestie van de redactiekritiek (methode) bereikt uiteindelijk het boek Jesaja. Het gangbare inzicht dat het boek Jesaja als een boek blijft staan, werd door Eichhorn en Döderlein in twee delen gesplitst: 1-39 (=proto Jesaja, 8e eeuw) en 40-66 (=deutro Jesaja, na de ballingschap). Maar B. Duhm heeft dat tweede gedeelte gesplitst in twee delen: 40-55 (=deutero Jesaja, gedateerd toen de ballingschap ten einde liep) en 56-66 (=tirto Jesaja, gedateerd na de terugkeer). De grens van deze splitsing is veelsoortig. Die valt te begrijpen uit enkele delen dat men meestal de laatste hoofdstukken als verband met een ander deel bekijkt. Bijvoorbeeld: in hfst. 1-39 zijn Jesaja 36-39 belangrijk; in hfst 40-55 zijn Jesaja 55:1-56:8 belangrijk; en als laatste is hfst, 56-66 het aanknopingspunt.

Nemen we de voorgaande paragrafen over het verband tussen de drie hoofddelen van het boek Jesaja samen in ogenschouw, dan kunnen we iets zeggen over de mogelijkheden en de grenzen van de redactiekritiek. Deze exegetische methode is geen concurrent van de literaire kritiek en de vormkritiek. Integendeel, zij bouwt voort op hun resultaten. Het vermoeden dat achter het boek Jesaja drie profeten uit drie verschillende tijdperken schuilgaan, is in de geschiedenis van het onderzoek aanleiding geweest om het verband tussen Jes. 39 en 40 alsook tussen Jes. 55 en 56 nader te bestuderen. De redactiekritiek maakt het niet overbodig drie profeten aan te nemen. Zij ontkent alleen dat hun profetieën in het boek Jesaja op elkaar volgen zoals boeken naast elkaar op een plank staan. Of dat er misschien een Jesaja-school heeft bestaan, waarin het erfgoed van de eerste Jesaja nieuwe situaties creatief doordacht heeft. Dat is echter een vraag van de traditiekritiek. De redactie kritiek probeert dan ook niet zozeer de individuele redacteur op te sporen en aan te wijzen welke woorden van hem af stammen.

Beuken gaf dus zijn conclusie: (1) Redactiekritiek is een beschouwingswijze die naast alle andere staat. Zij kan alleen werken op grond van gegevens die zij ontvangt, en haar gegeven zijn weer vruchtbaar voor de verklaring van de kleine literaire eenheden. Het is een misvatting dat de redactiekritiek in verzen en halfverzen moet aanwijzen wat het aandeel van de schrijver is in die uiteindelijke vorm van het Bijbelboek. (2) Redactiekritiek is daarom vóór alles een onderzoek van de spanning tussen de kleinste literaire eenheden en het grotere geheel waarin zijn functioneren bekeken wordt, tussen tekstcomplexen in stijgende overkoepeling en het uiteindelijke Bijbelboek. Kortom, zij vereist gevoeligheid voor de subtiele geleding van een tekst en verbrokkelt deze allerminst. Zo dient zij de lezing van de Schrift als eenheid, als het ene boek van de ene Leraar (Rabbenu!).

Opmerking

–          n de kleinste literaire eenheden en het grotere geheel waOpvallend is dat deze methode sterk is in de zogenaamde synchronische benaderingswijze, hoewel de sfeer van de diachronische methode scherp gekarakteriseerd wordt, b.v. in het boek Jesaja.

–          Om OmDeze methode is alleen veelbetekenend bij het gehele boek. Zo nauw zijn de teksten (of: los van zijn eenheid met andere hoofdstukken, bijvoorbeeld) behandeld. Zo krijgen we een kleine kans om kenmerkende principes van deze aanpak duidelijk te maken.

De Canon van het Oude Testament

J.L. Koole

De Bijbel omvat feitelijk een grote verscheidenheid van herkomst en aard. Een oude overlevering spreekt van een ‘bibliotheek’ (2 Makk. 2:13); de moderne Joodse terminologie ziet nog altijd af van een naam Tenach (of: Tanakh).

Voordat men een definitieve vorm van de Bijbel, zowel enkelvoudsvorm als meervoudsvorm (zie Rom. 1:2 over de Heilige Schriften, biblia dus!) bespreekt, ging het allereerst om de innerlijke waarde ervan. Men zou de  Bijbel eerder een kwalitatief dan een kwantitatief begrip kunnen noemen. Deze kwaliteit werd zowel in de synagoge als in de kerk omschreven als heilig, goddelijk, ingegeven door de Heilige Geest en tegelijk tot uitdrukking gebracht in de sobere formules waarmee de Bijbel aangeduid en aangehaald werd.

In principe is daarmee een tegenstelling gegeven tot andere literatuur, die al dan niet de moeite waard is. Deze tegenstelling heeft bij ons helaas een vrij ondoorzichtige periode tot een formele afgrenzing van de Bijbelboeken geleid. In de Rabbijnse terminologie heet het dan dat deze boeken de handen verontreinigen. De oorspronkelijke betekenis van deze merkwaardige uitdrukking heeft nogal wat vragen opgeroepen; onwillekeurig denkt men aan het staafje waarmee de voorlezer nog altijd in de synagoge de tekst van de heilige wetsrol bijhoudt. Joodse geleerden blijken echter ook geen bezwaar te hebben tegen overname van het in de kerk gangbare begrip canon. Vanuit zijn concrete betekenis riet heeft dit woord de waarde lijst en ook van norm gekregen. Ten aanzien van de historische noodzaak van de canonvorming, kan men van mening verschillen. Inderdaad hebben Rabbijnen en kerkvaders bij de aanvaarding van de canon een niet onbelangrijke rol gespeeld.

Binnen de Roomskatholieke Bijbel zijn er meer boeken dan in Protestantse kring, nl.: Tobit, Judit, Makkabeeën, e.a. Deze geschriften heten apocrief (zie Ned. Geloofsbelijdenis), een kwalificatie die door de kerkvaders in de zin van geheimzinnig, verdacht gebruikt werd. Roomskatholieke theologen van de nieuwere tijd spreken wel niet over apocriefe maar dan toch deuterocanonieke boeken. Dus de oude Christelijke kerk heeft de bredere canon dan de Hebreeuwse Bijbel (HB). Om de diversie tussen de synagoge en de kerk te verklaren zijn verschillende hypothesen opgesteld: (1) hypothese Alexandrijnse canon. Argumenten die hiervoor zijn aangevoerd zijn de Hellenistische herkomst van een groot deel van de apocrief(en), de opname van deze boeken in de oude Griekse vertaling van het OT, en een ruimere opvatting van de inspiratie bij de Grieks sprekende Joden. Een andere oplossing is dat de oudtestamentische canon gedurende de 1e eeuw n. Chr., nog niet tot afsluiting zou zijn gekomen en de christelijke kerk dus met enige vrijheid haar eigen standpunt kon bepalen. De huidige Hebreeuwse canon heeft bij deze opvatting te danken aan een herleiding/reductie, die aan het eind van die eeuw doorgevoerd werd als afweer tegen sektarische literatuur of waarschijnlijk ook van de nieuwtestamentische Evangeliën. Door de Talmoed weten wij dat de verantwoordelijkheid van deze afgrenzing bij een Rabbijnse samenkomst in Jamnia gebeurd is.

Er zijn goede argumenten aan te voeren voor een erkenning van de canon in zijn kortere vorm vóór de val van Jeruzalem. Daarop wijzen sommige onderzoekers ook op het gebruik van het OT in de gemeenschap van Qumran. De LXX geeft een ander beeld dan de Hebreeuwse Bijbel. Het gaat dus om de driedeling van Tenach. Men vindt dit in het woord voorafgaand aan de Wijsheid van Jezus Sirach: de wet, de profeten en de overige boeken. Vaak wordt aangenomen, dat zij de historische volgorde weerspiegelt waarin deze canondelen opeenvolgend hun status als heilige Schrift ontvangen hebben. Ook volgens Koole wil onderscheiding maken in de verschillende herkomsten van deze onderdelen van de canon en de wijze waarop zij in de synagoge en het leerhuis zijn gebruikt. In elk geval is de grens tussen Profeten en Geschriften nog niet helemaal duidelijk want Flavius Josefus rangschikt, volgens Koole, een aantal boeken die deel uitmaken van de Geschriften. Onze moderne ideeën (of: begrippen) over boektechnisch behandelen is anders dan de oude tijd. Toen men nog slechts boekrollen van beperkt formaat kende, die hoogstens boven op elkaar gelegd konden worden. Het lijkt erop dat een Rabbijnse uitspraak bewaard gebleven is dat een Torah-rol wel boven de Profeten en Geschriften mag worden geplaatst, maar niet andersom. De volgorde betekent een rangorde. De Torah gaat voorop als canoniek bij uitstek en de andere Bijbelboeken kunnen slechts aanspraak op erkenning maken voorzover zij met deze Torah in overeenstemming zijn. Met het oog hierop heeft men de in de HB gebruikelijke volgorde niet helemaal ten onrechte als nomistisch geschetst.

In terminologie van Rabbijnen en kerkvaders is de Schrift weliswaar gewoonlijk een aanduiding van een bepaalde Schriftplaats, maar vaker ook een naam voor de Bijbel als eenheid.

Opmerking

–          Het zware probleem van de canon is: welk boek behoort op welke plaats en wat is de volgorde van enkele boeken. Zowel de Alexandrijnse canon als de Joodse canon worstelen met het getal en de volgorde. Zo zien we dat later bij de Roomskatholieke kring met hun apocriefe of deutro-canonieke boeken. Nog is er een andere groep: de pseudo-canonieke boeken.

–          De ‘overige’ boeken, zoals blijken in woord vooraf van Wijsheid van Jezus Sirach, veroorzaken multi-interpretaties.

–          Het dieptepunt van de canon is, volgens mij, de theologische inhoud.

Exegese naar Amsterdamse traditie

K.A. Deurloo

Het werk van de zogenaamde Amsterdamse School richt zich op de gegeven tekst. Daarbij spelen twee wisselend aspecten een rol, zowel een literair-wetenschappelijk aspect (synchronische benaderingswijze) als een theologisch aspect (=het OT als fundamenteel voor de Godgeleerdheid). Kenmerkend is dat er zowel voor details als voor de grotere structuren van het oudtestamentische spraakgebruik aandacht is, de stilistiek van de kleinere literaire eenheden en de grote bijbels-theologische verbanden.

Het OT is in zoverre een bijzonder geval in de oudoosterse literatuur dat deze bundel door de academie geleend is van de synagoge (en de kerk). Exegese wordt er bedreven in wisselwerking met andere vakken van de theologie, waaronder de dogmatiek niet uitgezonderd wordt; niet om op 17e eeuwse wijze aan de leiband van de leerstelligheid te laten lopen, maar om exegetisch en bijbels-theologisch de systematische theologie onder kritiek te stellen en zich anderzijds kritiek te stellen en zich anderzijds de kritiek van de dogmatiek als hermeneutiek te laten welgevallen. Daarbij is verondersteld dat die exegese zich niet dogmatisch kerkelijk gebonden weten. De exegese zal voortdurend kritisch zijn tegenover zichzelf en zijn impliciete of expliciete hermeneutiek.

Exegese en Bijbelse theologie staan in een dialectische verhouding tot elkaar. Iedere exegese-beoefening draagt bij tot de kennis van de Bijbelse theologie, die zelf de horizon vorm van de exegese. Onder Bijbelse theologie is dan te verstaan: de beschrijving van de grotere structuren van de oudtestamentische woordwereld. Bijbelse theologie is dus primair oudtestamentische theologie.

In de Amsterdamse traditie is men over het algemeen geneigd later te dateren dan gebruikelijk, een neiging die men overigens ook bij sommige Angelsaksische oudtestamentici aantreft. Synchronische literaire analyse dient telkens een eerste stap te zijn voor ieder die zich met de historische wetenschap bezighoudt. Deze disciplines van de oudtestamentici zijn om zelf methodes verder te bestuderen, maar vormen ten aanzien van de exegese hulpwetenschappen en zijn als zodanig voor de uitleg onmisbaar.

Een exegeet is, volgens Deurloo, door zijn eigen tijd en maatschappelijke positie beïnvloed. De oudste exegese-geschiedenis vraagt speciale aandacht. Dit is de traditie-geschiedenis die na de wording van de oudtestamentische tekst, die al in gedeelten van het OT begint en die daarna in bijvoorbeeld rewritten bible gestalte krijgt. Dit vraagt niet zozeer aandacht vanwege de exegese-techniek als wel ter wille van de vertrouwdheid met een literair klimaat, dat dichtbij de tijd van de wording van de definitieve gestalte van de tekst staat.

Om aan een exegetisch werk te beginnen, moet men twee manieren gebruiken: Syntactisch en kolometrisch. Zo staan er twee werkpapieren, waarop door onderstreping en aantekeningen, verbindingsstrepen en dergelijke op het overgebleven wit, waarnemingen zichtbaar kunnen worden gemaakt. Een ‘kolometrie’ wil zeggen dat een ademeenheid, kolon, op één regel wordt geschreven. Het syntactisch uitschrijven van een tekst zou naar de volgorde van de kolometrie moeten gaan. Men zorgt er dan voor dat de narratieven op het papier een verticale lijn vormen. Perfectum en nominale zinnen kunnen daarvan afwijken of anders zichtbaar gemaakt worden. Wil men werkwoord en eventueel subject en object op een horizontale lijn houden, dan kunnen de verschillende bepalingen trapsgewijs een regel lager een plaats krijgen.

Opmerking

–          Volgens de Amsterdamse traditie, is de ‘academie’ de tweede lezer. Want ‘wetenschapers’ hebben het OT aan twee instituties geleend, nl.: de synagoge en de kerk. Maar de manier hoe de academie deze bundel leest is heel Oriëntalistisch.

–          De Amsterdamse traditie vestigt veel aandacht op de Palestijnse canon (of: Tenach). Daarnaast ligt de Amsterdamse traditie heel dicht bij de synchronische benaderingswijze. Een karakteristiek daarvan is Sitz in der Literatuur boven de Sitz im Leben.

Theologie van het Oude Testament

C. van Leeuwen

Opvallend is dat hij drie aanduidingen constateert: 1) het geloof. Hoe de belijders van YHWH in het oudtestamentische tijdvak hun geloof praktiseren (en ook hun getuige gegevens van het OT)? Dit heeft te maken met de godsdienst van Israël; 2) de beoefening, die de veel verder gaande opdracht inhoudt (i.c. voor belijden en leven van de Christelijke kerk, of zelfs normatief kunnen zijn); deze mening houdt verband met een systematische opzet; 3) afhankelijk van (de theologie van) het NT. Dat betekent een afzonderlijke theologie van het OT is geheel onmogelijk. Met andere woorden: het NT is van belang.

Naast bovenstaande principiële kwestie, is er ook het probleem van de methodische aanpak van een theologie van het OT. De een pleit voor een historische aanpak zowel in de vorm van de geschiedenis van Israëls godsdienst als van heilsgeschiedenis. De andere (pleit) voor een systematische uiteenzetting van de specifiek godsdienstige noties.

Binnen de oudtestamentische wetenschap is de theologie (van het OT) betrekkelijk jong. Wel hebben verschillende auteurs binnen het OT zelf al duidelijk vanuit een theologisch perspectief geschreven, bijvoorbeeld: de zogenaamde Jahwist en Deutero Jesaja. In de vroege kerk speelde het OT theologisch een geringe rol, behalve bij Ireneüs en bij Origenes van Alexandrië. In de middeleeuwse kerk werden voor het theologische gebruik van het OT praktisch alleen wat stichtelijke teksten en verhalen en vooral de bewijsplaatsen die de geldende dogmata moesten ondersteunen, van belang geacht. In de reformatie trad naast de exegetische ook de theologische interesse voor het OT wel meer naar voren. Maar voor Luther bleef die toch hoofdzakelijk beperkt tot datgene wat in het OT, volgens hem getuigenis van Christus bevat ‘was Christum treibt’. Voor Calvijn was vooral ook de oudtestamentische theocratie van belang als model voor de theocratie die hij—met de kerk als hart van de regering—in Genève probeerde te realiseren.

In de Gereformeerde theologie ná Calvijn werd de theologische betekenis van het OT in hoofdzaak weer teruggebracht tot die van het leveren van bewijsplaatsen voor de gereformeerde dogmatiek. Bijvoorbeeld onder de Gereformeerde theologen, het werk van J. Coccejus (1603-1669).

De stoot tot een Bijbelse theologie in rationalistische zin werd gegeven door J.P. Gabler in zijn academische rede van 1787, waarin hij de Bijbelse theologie tot een zelfstandig vak verhief en als historische wetenschap duidelijk afgrensde tegen dogmatiek, een over de goddelijke dingen nadenkende wetenschap. Daarna verscheen in 1796 te Leipzig G.L. Bauer. Bij Bauer ligt al veel nadruk op de discontinuïteit en het contrast van het Oude en Nieuwe Testament.

Naast de historisch en filosofisch gerichte benaderingen van het OT waren er in de 19e eeuw ook verschillende auteurs die opkwamen voor het openbaringskarakter van de Bijbel en voor de Schrift als normatieve autoriteit. Bijvoorbeeld E.W. Hengstenberg die terug keerde de tot allegorisch-dogmatische benadering van het OT. Belangrijker was echter de heilshistorische theologie, zoals J.C.K. von Hofmann. Dergelijke heilshistorische theologie kan volgens hem alleen vanuit een congenialiteit met het op Christus zelf betrokken heil geschreven worden.

Het eind van de 19e eeuw is voor de studie van het OT grotendeels bepaald door de opvattingen van J. Wellhausen in Geschichte Israels (1878) en Israelitische und jüdische Geschichte (1894), A. Kayser, A.B. Davidson, C. Piepenbring, B. Stade en H. Schultz.

Naast de genoemde namen zijn er ook andere theologen zoals: Ed. König, E. Sellin, C. Steuernagel, O. Eissfeldt (die stellen dat de theologie alleen de uiteenzetting kan behelzen van wat de schrijver op grond van zijn godsdienstige of kerkelijke overtuiging in het OT vindt). W. Eichrodt legde de nadruk op de structurele eenheid. L. Koehler geeft een overzicht van die zienswijzen, gedachten en het begrijpen van het OT die theologisch relevant zijn. Van Roomskatholieke zijde is het werk van P. Heinisch bekend.

De twee theologieën die de laatste decennia in Nederland de theologische discussie over het OT hebben beïnvloed en nog steeds als standaardwerken gebruiken zijn die van Th. C. Vriezen en die van G. von Rad. Voor Vriezen gaat de theologie van het OT niet om het onderzoeken van religieuze gedachten of levensuitingen, maar om het kerygmatische karakter van het OT. Vriezens nadruk op de geschiedenis als één van de meest opvallende kenmerken van de oudtestamentische theologie, lijkt hem te verbinden met auteurs uit de 19e eeuw, maar hij verzet zich tegen het geseculariseerde evolutionisme en historisme dat de theologieën van de vorige eeuw kenmerkte.

De 1e theologie die methodisch en inhoudelijk een radicale reactie betekende op de systematische aanpak in onze eeuw, was het beknopte werk van G.E. Wright. W. Zimmerli betwijfelt of de innerlijke samenhang van Gods spreken in het OT alleen in de historische continuïteit te vinden is. De openbaring van de naam YHWH is het uitgangspunt van Zimmerli.

Opmerking

–          Er is geen overtuigend antwoord vanaf de vroege kerk tot nu toe rondom de vragen over de benadering (of: de methode) van de theologie van het OT.

–          Het perspectief zoals van Leeuwen laat zien in blz. 225 (punt ‘C’, de eerste paragraaf) weerspiegelt niet dat theologie van het OT een voltooiing is van alle vakken rondom de studie van het OT.


[1] Zie J.L. Koole


Aksi

Information

Tinggalkan Balasan

Please log in using one of these methods to post your comment:

Logo WordPress.com

You are commenting using your WordPress.com account. Logout / Ubah )

Gambar Twitter

You are commenting using your Twitter account. Logout / Ubah )

Foto Facebook

You are commenting using your Facebook account. Logout / Ubah )

Foto Google+

You are commenting using your Google+ account. Logout / Ubah )

Connecting to %s




%d blogger menyukai ini: